Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
05-47 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht vastgesteld dat betrokkene op datum in geding geen recht meer had op ziekengeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/47 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 november 2004 , 03/5252 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W.A. Scholtes, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door P.J. Reeser, eveneens werkzaam bij SRK Rechtsbijstand.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren [in] 1952, is van december 1979 tot 1 mei 1998 als administratief medewerker werkzaam geweest bij de Staatsdrukkerij en ontving daarna een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. In 1999 en 2000 heeft hij nog een aantal maanden onder meer via een uitzendbureau gewerkt, waarna hij weer werkloosheidsuitkering ontving.

Appellant heeft zich op 17 februari 2003 vanuit de uitkeringsituatie ingevolge de Werkloosheidswet na een operatie aan de linkerschouder ziekgemeld. Appellant was toen tevens bekend met al 15 jaar bestaande diabetes mellitus en met vanaf zijn

36ste levensjaar bestaande epilepsie.

Naar aanleiding van zijn ziekmelding is appellant op 18 juni 2003 onderzocht door een verzekeringsarts, die constateerde dat het met de beweeglijkheid van appellants linkerschouder steeds beter ging. Met ingang van 23 juni 2003 werd appellant hersteld verklaard.

Bij besluit van 20 juni 2003 is dienovereenkomstig vastgesteld dat appellant met ingang van 23 juni 2003 geen recht meer had op ziekengeld.

In de bezwaarfase is appellant gezien door bezwaarverzekeringsarts M. Keus, die gelet op de bevindingen bij zijn onderzoek en de door de behandelend orthopedisch chirurg en neuroloog verstrekte informatie vaststelde dat de diabetes goed was ingesteld en dat appellant ondanks lichte epilepsie-aanvallen jarenlang heeft kunnen werken. De schouderklachten van appellant leverden wel een beperking op met betrekking tot bovenhands werken, maar vormden volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden om appellant ongeschikt te achten voor zijn lichte administratieve werk.

Bij besluit van 30 oktober 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het primaire besluit van 20 juni 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij met mate betekenis toegekend aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts.

De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel.

In aanmerking genomen dat appellant zich heeft ziekgemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet, die hij ontleende aan het werk bij de Staatsdrukkerij, is de Raad van oordeel dat dit werk terecht als maatstaf voor de arbeid is gehanteerd.

De Raad heeft met name betekenis toegekend aan het door appellants gemachtigde in hoger beroep overgelegde expertiserapport van 2 augustus 2006 van neuroloog

G.J. de Haan. Deze specialist heeft appellants gezondheidstoestand van juni 2003 beoordeeld en gerapporteerd dat sprake is van frequent optredende subtiele aanvallen die vrij kort duren en op zichzelf geen beperkende factor vormen, maar als gevolg van de langdurige herstelfase maken dat appellant niet langdurig geconcentreerd kan werken, terwijl ook het werken met draaiende machines of op hoogten te riskant zou zijn. Volgens deze specialist moet appellant echter wel in staat zijn om te werken in de administratieve sector, waarbij geen duidelijke tijdsdruk bestaat.

Gelet op deze rapportage ziet de Raad onvoldoende reden om te twijfelen aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant ten tijde in geding niet ongeschikt was voor zijn werk bij de Staatsdrukkerij. Appellant heeft daar 19 jaar op de afdeling abonnementen gewerkt en in de gedingstukken zijn geen aanwijzingen te vinden dat het hier zou gaan om werk dat onder grote tijdsdruk moest worden verricht.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) J. Verrips