Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
05-371 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschiktheid voor het eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/371 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 december 2004, 03/833

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. Van Gestel. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is in maart 1976 uitgevallen voor haar functie van administratief medewerkster. Vanaf maart 1977 ontvangt zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij besluit van 11 mei 2001 (hierna: besluit I) is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2001 ongewijzigd voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij brief van 12 juni 2001 heeft appellante tegen dit besluit bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 6 juni 2002 (hierna: besluit II) heeft het Uwv de aan appellante verstrekte WAO-uitkering met ingang van 24 juli 2002 ingetrokken onder de overweging dat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 mei 2002 minder dan 15% is.

Gemachtigde van appellante heeft bij schrijven van 1 juli 2002 tegen besluit II bezwaar aangetekend.

Vervolgens heeft het Uwv bij brief van 7 augustus 2002 besluit I ingetrokken. Voorts heeft het Uwv bij besluit van, eveneens,

7 augustus 2002 (hierna: besluit III), de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 juni 2001 vastgesteld op minder dan 15%, waarbij de WAO-uitkering ongewijzigd met ingang van 24 juli 2002 wordt ingetrokken.

Bij besluit van 3 maart 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen besluit I gerichte bezwaar geacht mede gericht te zijn tegen besluit III en dit bezwaar ongegrond verklaard. Voorts is het bezwaar tegen besluit II ongegrond verklaard.

Voor wat betreft het medische aspect van de arbeids(on)geschiktheidsbeoordeling heeft bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke informatie ingewonnen bij de behandelend psychiater J.H.M. van Laarhoven. Daarnaast heeft orthopedisch chirurg

F.Q.M.P. van Douveren op verzoek van Fokke op 9 december 2002 gerapporteerd omtrent appellantes gezondheidstoestand. Verder beschikte Fokke over de door appellante overgelegde informatie van de behandelende sector, namelijk van de orthopedisch chirurg F.B. Langius van 22 augustus 2002, de reumatoloog dr. M.J.H. Wijnands van 9 juli 2002, de neuroloog dr. E.P.J. Arnoldus van 27 februari 2002 en 13 juni 2002, de huisarts J.C. Vermue van 5 augustus 2002 en de plastisch chirurg prof. dr. M. Kon van 29 juli 2002. Op basis van alle hem ter beschikking staande informatie is Fokke blijkens zijn rapportage van 8 januari 2003 van mening dat de door verzekeringsarts K.G.M. van den Brand op 6 mei 2002 opgestelde kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (kFML) aanscherping behoeft met name ten aanzien van de rug- en de schouderbelasting. Dit heeft geresulteerd in de door Fokke aangescherpte kFML van 17 januari 2003.

Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Hulshof in zijn rapport van 21 januari 2003 een aantal van de primair geduide functies laten vervallen in verband met de binnen die functies voorkomende overschrijdingen van de mogelijkheden van appellante. Hulshof is van mening dat appellante onverminderd geschikt is voor haar eigen functie van administratief medewerkster en dat er overigens voldoende functies resteren waarop de schatting gebaseerd kan worden waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is, zodat de WAO-uitkering van appellante terecht is ingetrokken.

In beroep stelt gemachtigde van appellante dat appellante verdergaand beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Ter onderbouwing van het standpunt wordt informatie overgelegd van de nucleair geneeskundige M.A.B.D. Plaizier van 22 mei 2003, een brief van de huisarts Vermue van 17 september 2003 en algemene informatie over Juxta-articulaire adipositas dolorosa en ziekte van Dercum. Voorts wordt een, op verzoek van de medisch adviseur van ARAG Rechtsbijstand uitgebrachte, contra-expertise van orthopedisch chirurg J.H.J.P.M. Kortmann van 20 augustus 2003 overgelegd. Kortmann acht, op grond van zijn orthopedisch onderzoek, appellante beperkt ten aanzien van langdurig staan en gebukt werken als ook ten aanzien van tillen, dragen, duwen en trekken. Hij kan zich verenigen met de door de verzekeringsarts Van den Brand opgestelde FML van 6 mei 2002. Kortmann acht voorts een urenbeperking van toepassing omdat appellante niet de conditie heeft om acht uren per dag te werken. Hij acht de functies van winkelbediende en portier niet erg geschikt voor appellante.

Na heropening van het onderzoek heeft de rechtbank de revalidatiearts G.H.F. van der Leeuw als deskundige benoemd en verzocht te rapporteren omtrent appellantes gezondheidstoestand. Dit resulteerde in een verslag van 22 juli 2004 waarin

Van der Leeuw stelt dat appellante rugklachten, gegeneraliseerde pijnklachten en vermoeidheidsklachten heeft, welke klachten deels medisch objectiveerbaar zijn en waarbij er discrepantie bestaat tussen de objectieve en voor zover te objectiveren stoornissen en afwijkingen. Van der Leeuw scherpt de mogelijkheden van appellante, zoals weergegeven op de kFML van 17 januari 2003, aan op de items duwen, trekken, tillen, dragen en staan tijdens het werk. Ten aanzien van het item hand- en vingergebruik acht Van der Leeuw de beperking minder. Voorts stelt Van der Leeuw dat, hoewel de Standaard verminderde arbeidsduur niet expliciet van toepassing is, mede gelet op de interne verzekeringsgeneeskundige discrepantie en de in het verleden gedurende lange tijd toegepaste urenbeperking, het niet redelijk is de urenbeperking in te trekken, zodat ook thans een urenbeperking van 50% van toepassing is. Van der Leeuw acht appellante, na aanscherping van haar mogelijkheden, geschikt voor haar eigen werkzaamheden als administratief medewerkster als ook voor de werkzaamheden behorende bij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Het Uwv accepteert, bij monde van bezwaarverzekeringsarts Fokke zoals verwoord in zijn rapport van 3 augustus 2004, de beperkingen zoals deze door Van der Leeuw nader zijn aangescherpt en het standpunt dat appellante geschikt is voor haar eigen functie als ook voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Fokke kan zich, onder verwijzing naar de Standaard verminderde arbeidsduur echter, niet verenigen met de conclusie dat sprake zou moeten zijn van een medische urenbeperking. Hij stelt daartoe dat het enkele feit dat in het verleden langdurig een urenbeperking is toegepast niet kan leiden tot voortzetting van een urenbeperking. Evenmin kan een urenbeperking (uitsluitend) worden gehonoreerd vanwege het feit dat de stoornissen en beperkingen in de loop van de tijd zijn verslechterd.

Namens appellante is nog informatie overgelegd van orthopedisch chirurg F.B. Langius van 4 maart 2004, een memo van de medisch adviseur van ARAG Rechtsbijstand prof. dr. A. Zwaveling, gericht aan de gemachtigde van appellante van

23 april 2004, en van de plastisch chirurg prof. dr. Kon van 5 augustus 2004.

Op grond van de stukken is de rechtbank van oordeel dat moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Ten aanzien van de urenbeperking volgt de rechtbank bezwaarverzekeringsarts Fokke in de opvatting dat toepassing van de Standaard verminderde arbeidsduur niet leidt tot het opleggen van een urenbeperking en dat er geen redenen zijn af te wijken van strikte toepassing van die standaard.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de beoordeling is de rechtbank voldoende overtuigd van de geschiktheid van appellante voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, op grond waarvan het Uwv op goede gronden het bestreden besluit heeft genomen zodat het beroep door de rechtbank ongegrond wordt verklaard.

In hoger beroep herhaalt gemachtigde van appellante de eerder naar voren gebrachte medische en arbeidskundige grieven. Onder verwijzing naar de rapporten van Kortmann en Van der Leeuw is hij van mening dat een medische urenbeperking van toepassing is. Bij brief van 24 november 2006 heeft gemachtigde van appellante nog aanvullende gronden alsmede diverse bijlagen toegezonden.

Het Uwv handhaaft zijn standpunt.

Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2001 is ingetrokken, in rechte kan standhouden.

De Raad overweegt het volgende.

Het geheel van de omtrent appellante beschikbare informatie in ogenschouw genomen is de Raad van oordeel dat de functionele mogelijkheden van appellante, zoals verwoord door bezwaarverzekeringsarts Fokke in de kfml van 17 januari 2003 en rekening houdende met de door Van der Leeuw genoemde aanscherpingen, niet zijn overschat.

De Raad neemt hierbij in overweging dat zowel Van Douveren, Kortmann als Van der Leeuw zich (nagenoeg geheel) kunnen vinden in de door Fokke opgestelde kfml en dat de door Van der Leeuw aangescherpte beperkingen door Fokke worden geaccepteerd. Ook uit de overige door appellante verstrekte informatie valt naar het oordeel van de Raad niet af te leiden dat sprake zou zijn van verdergaande beperkingen.

Wat betreft de medische urenbeperking is de Raad met de rechtbank en het Uwv van oordeel dat er geen redenen zijn af te wijken van de Standaard verminderde arbeidsduur. De Raad overweegt hierbij dat de verminderde conditie van appellante en de in het verleden toegepaste urenbeperking, ontoereikend zijn om toepassing van een medische urenbeperking te rechtvaardigen.

Wat betreft de arbeidskundige kant van de beoordeling is de Raad, uitgaande van de juistheid van de medische beoordeling en onder verwijzing naar het verslag van Van der Leeuw, van oordeel dat appellante op de datum hier in geding in staat moet worden geacht haar eigen functie van administratief medewerkster in volle omvang te vervullen.

Nu appellante geschikt wordt geacht voor haar eigen werkzaamheden als administratief medewerkster behoeven de arbeidskundige grieven gericht tegen de door het Uwv geduide functies geen nadere bespreking.

Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.