Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
04-7178 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Juistheid vastgestelde beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/7178 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 november 2004, 04/156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J. Jennekens.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is in 1998 wegens diverse klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als administratief medewerkster. Ter zake van die uitval is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. In 1999 heeft zij haar werkzaamheden - in een geringere omvang - hervat. In februari 2002 heeft zij zich bij het Uwv gemeld, met toegenomen klachten. Daarbij gaat het om lichamelijke klachten (met name: pijnklachten) alsmede spanningsklachten en klachten van cognitieve aard.

Naar het oordeel van de primaire verzekeringsarts is er bij appellante sprake van somatoforme klachten waarbij relatieve overbelasting en spanningen in de werksituatie een luxerende rol hebben gespeeld. De verzekeringsarts heeft aanleiding gezien, daartoe overwegende dat appellantes toestand zich nog niet zodanig heeft gestabiliseerd dat zij in staat geacht kan worden om hele dagen buitenshuis te werken, om mede uit preventieve overwegingen een urenbeperking van toepassing te achten van maximaal halve dagen werken.

Mede gelet op de uitkomsten van het op die basis plaatsgevonden hebbende arbeidskundige onderzoek, is appellantes WAO-uitkering bij besluit van 6 februari 2003 met ingang van 27 januari 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

Naar aanleiding van door de neuroloog J.G. Kok en de klinisch psycholoog L. Kingma verstrekte informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts het belastbaarheidspatroon op enkele onderdelen nog aangescherpt. Voor de uitkomsten van de schatting had zulks evenwel geen gevolg, in verband waarmee bij besluit van 22 december 2003, hierna: het bestreden besluit, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 februari 2003 ongegrond is verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, alle gegevens in aanmerking nemende, geen aanleiding gevonden om te oordelen dat het bestreden besluit, wat betreft het medische aspect, onzorgvuldig tot stand is gekomen of onjuist is. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat en waarom de bij de schatting gebruikte functies in zowel medisch opzicht als arbeidskundig opzicht - wat betreft de gestelde opleidingseisen - passend zijn voor appellante.

Appellante heeft in hoger beroep in het bijzonder staande gehouden dat haar beperkingen zijn onderschat en dat - daarom - de geduide functies haar belastbaarheid overschrijden. Appellante acht het, gegeven het feit dat zij lijdende is aan fibromyalgie en artrose, onbegrijpelijk en in elk geval onjuist dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst geen beperking is opgenomen op de aspecten pincetgreep, lateraalgreep en fijne motoriek. Zij heeft ter onderbouwing van haar opvatting een brief van haar huisarts overgelegd met als bijlagen brieven van de neuroloog Kok en de psycholoog Kingma.

De Raad ziet deze grieven van appellante geen doel treffen. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft in een reactie van 11 februari 2005 op het beroepschrift aangegeven dat de door de neuroloog Kok en de klinisch psycholoog Kingma verstrekte informatie reeds is meegewogen, terwijl de brief van de huisarts geen nieuwe medische feiten bevat. De Raad acht deze reactie juist. Aan de Raad is ook anderszins niet kunnen blijken van objectief-medische gegevens die tot steun zouden kunnen dienen voor de eigen opvatting van appellante dat haar beperkingen zijn onderschat en dat - in het bijzonder - ten onrechte geen beperkingen zijn aangenomen op de drie door haar genoemde aspecten, als hiervoor vermeld.

Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante juist zijn gewaardeerd, heeft de Raad voorts geen aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet passend zouden zijn voor appellante. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank dienaangaande in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.