Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6890

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
24-01-2007
Zaaknummer
05/6919 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag terecht afgewezen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6919 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 oktober 2005, 05/1592 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden

(hierna: betrokkene)

en

appellante

Datum uitspraak: 9 januari 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2006. Appellante is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Geerdink, werkzaam bij de gemeente Rheden.

II. OVERWEGINGEN

Appellante, geboren in 1945, ontvangt sedert 1979 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 12 oktober 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB.

Bij besluit van 6 december 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 11 april 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is het standpunt ingenomen dat appellante over de periode van 1 november 1999 tot en met 2 mei 2000 geen bijstand heeft ontvangen en dat in die periode sprake was van inkomsten uit arbeid. Aangezien appellante gedurende de in aanmerking te nemen periode van 60 maanden inkomsten uit arbeid heeft ontvangen, voldoet zij niet aan het gestelde in artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de WWB.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 11 april 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 36, eerste lid van de WWB verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en;

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking is gekomen.

Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat gedurende de periode van 1 november 1999 tot 3 mei 2000 sprake is geweest van inkomsten uit arbeid. Appellante heeft bij haar aanvraag opgegeven dat zij in 2000 enkele uren in de week verdiensten ontving vanwege schoonmaakwerkzaamheden via een uitzendbureau. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij toen wel moest werken om in haar onderhoud te kunnen voorzien omdat zij in die periode geen uitkering ontving. Een en ander wordt bevestigd door het bij het bezwaarschrift overgelegde Statusoverzicht 2000 van Gak Nederland BV van 28 september 2001, waaruit onder meer blijkt dat appellante gedurende de periode van 14 februari 2000 tot en met 25 februari 2000 en 3 april 2000 tot en met 28 april 2000 via Werkwijzer Uitzendbureaus BV werkzaamheden heeft verricht. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gelet op artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de WWB reeds deze omstandigheid in de weg staat aan verlening van de gevraagde langdurigheidstoeslag, zodat het College terecht op deze grond de aanvraag heeft afgewezen. Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd, kan niet leiden tot een ander oordeel.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.