Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6782

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
05/303 AW, 05/304 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Ontzegging toegang tot werkgever. Gebrek aan feitelijke onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/303 AW, 05/304 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 december 2004, 03/4523 en 04/613 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.H.M. Wesseling, verbonden aan CAPRA te ’s-Gravenhage. Betrokkene is verschenen met bijstand van

mr. R.H.A. Wessel, advocaat te ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Betrokkene is, na een proeftijd van 12 maanden als manager Industriële Sector, met ingang van 1 december 1996 in vaste dienst aangesteld bij [werkgever] te [vestigingsplaats] en was laatstelijk werkzaam in de functie van divisiemanager Productie.

1.2. In november 2000 is aangekondigd dat in verband met de problematiek rond de verzelfstandiging van [werkgever] een verandermanager zou worden aangetrokken. Deze is op 8 januari 2001 met zijn werkzaamheden aangevangen.

1.3. Bij brief van 13 februari 2001 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat hij op grond van de beschikbaar gekomen informatie van oordeel is dat betrokkene onvoldoende vertrouwen geniet bij sleutelfunctionarissen in zijn directe werkomgeving en dat het in het belang van de dienst is dat een maatregel wordt getroffen die bevordert dat betrokkene op korte termijn zijn werkzaamheden bij [werkgever] beëindigt.

1.4. Bij besluit van 8 maart 2001 is betrokkene op grond van artikel 15:1:19 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) met onmiddellijke ingang de toegang tot de gebouwen en terreinen van [werkgever] ontzegd en is hij ontheven van de verplichting tot het uitoefenen van zijn functie.

1.5. Nadat appellant bij brief van 16 juli 2002 het voornemen daartoe aan betrokkene had medegedeeld, heeft appellant bij besluit van 20 december 2002 aan betrokkene met ingang van 1 januari 2003 ontslag verleend, primair met toepassing van artikel 8:6 van de CAR/UWO wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken en subsidiair met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO “op andere gronden” wegens gebrek aan vertrouwen.

1.6. Bij het bestreden besluit van 26 september 2003 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van

8 maart 2001 tot ontzegging van de toegang tot [werkgever] en tot ontheffing van de verplichting tot functievervulling ongegrond verklaard.

1.7. Bij het bestreden besluit van 9 september 2003 heeft appellant het ontslagbesluit van 20 december 2002 in bezwaar gedeeltelijk herroepen en bepaald dat de ontslagverlening uitsluitend berust op artikel 8:8 van de CAR/UWO. In verband met dit ontslag is voorts aan betrokkene met ingang van de datum van ingang van het ontslag een uitkering toegekend gelijk aan de aanvullende en aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd alsmede de besluiten van 8 maart 2001 en van 20 december 2002 herroepen, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft in haar uitspraak op de daartoe aangegeven gronden geoordeeld dat appellant noch zijn stelling dat betrokkene niet de juiste persoon is om (mede) leiding te geven aan de noodzakelijk geachte verander- en verbetertrajecten bij [werkgever], noch zijn stelling dat betrokkene bij de medewerkers en de Ondernemingsraad onvoldoende vertrouwen geniet om adequaat sturing te kunnen geven aan die trajecten, afdoende heeft onderbouwd met concrete feiten, blijkend uit een deugdelijke verslaglegging van relevante gegevens.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad onderschrijft in grote lijnen de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel dat het ontslagbesluit en het besluit tot ontzegging van de toegang onvoldoende met concrete feiten zijn onderbouwd.

3.1.1. Weliswaar is voorafgaande aan het aantreden van de verandermanager in januari 2001 in een aantal beoordelingen en functioneringsgesprekken enige kritiek op het functioneren van betrokkene neergelegd, doch deze kritiek was niet van dien aard dat deze heeft geleid tot een negatieve beoordeling waaruit blijkt van ongeschiktheid voor de functie. Die beoordelingen bieden dus geen steun aan het standpunt dat betrokkene in die mate bepaalde kwaliteiten miste, dat hij met het oog op de voorgenomen verzelfstandigingsoperatie niet in zijn functie kon worden gehandhaafd.

3.1.2. Het standpunt van appellant, zoals dat is neergelegd in de brief van 13 februari 2001 dat betrokkene niet de juiste persoon was om tijdens dit verzelfstandigingsproces een leidinggevende functie te vervullen, berustte op de bevindingen van de verander-manager, die blijkens een op 30 januari 2001 aan het personeel uitgegeven communiqué twee dagen per week werkzaam was en na 30 januari 2001 zou aanvangen met het voeren van gesprekken met medewerkers en het bijwonen van vergaderingen en besprekingen. Deze heeft reeds op 7 februari 2001 mondeling aan betrokkene medegedeeld dat hij in een aantal door hem gevoerde gesprekken signalen had ontvangen dat betrokkene onvol-doende krediet genoot bij een aantal sleutelfunctionarissen en dat er bij die functio-narissen geen vertrouwen meer bestond in herstel daarvan. De door de verandermanager gevoerde gesprekken en zijn bevindingen en conclusies zijn niet in een schriftelijke rapportage vastgelegd, maar zijn zonder meer door appellant overgenomen en als vaststaande feiten aan betrokkene gepresenteerd. Van een nader onderzoek naar de gegrondheid van de geuite kritiek, waarbij ook betrokkene de gelegenheid zou hebben gehad om daarop in te gaan, is niet gebleken.

3.1.3. Door appellant is te kennen gegeven dat doorslaggevend bij zijn besluitvorming was dat de Ondernemingsraad het vertrouwen in betrokkene zou hebben verloren. Hieromtrent stelt de Raad vast dat uit de stukken slechts blijkt dat de kritiek van de Ondernemingsraad in algemene bewoordingen was gesteld en dat het gebrek aan vertrouwen het management van [werkgever] als zodanig betrof. Door appellant is bevestigd dat de Ondernemingsraad zich niet specifiek heeft willen uitlaten omtrent de persoon of personen, waarop de kritiek betrekking had. Reeds gelet hierop kan ook het standpunt van de Ondernemingsraad niet bijdragen aan een (voldoende) concrete onderbouwing, zoals deze voor de bestreden besluiten vereist is.

3.1.4. Door appellant zijn in hoger beroep nog enkele stukken aan het dossier toegevoegd, waaronder een (vrij korte) verklaring van de verandermanager van 10 februari 2005 en verslagen van gesprekken met een anonieme medewerkster en met twee voormalige medewerksters, gehouden in maart en juli 2005. De Raad is van oordeel dat deze stukken, aangezien zij achteraf en zeer geruime tijd na het verleende ontslag zijn opgemaakt, niet van wezenlijke betekenis kunnen zijn voor een objectieve feitelijke onderbouwing van de bestreden besluiten.

3.2. Door appellant is in hoger beroep nog de grief naar voren gebracht dat de rechtbank, nu de functie van betrokkene inmiddels was opgeheven, uit een oogpunt van finale geschilbeslechting toepassing had dienen te geven aan het bepaalde in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De Raad ziet niet in dat de rechtbank in dit geval van deze bevoegdheid gebruik had moeten maken, temeer nu de gestelde noodzaak om betrokkene zijn positie bij [werkgever] te ontnemen door appellant specifiek is geplaatst in het kader van het verzelfstandigingsproces dat moest worden uitgevoerd bij [werkgever] en ook door appellant niet bij voorbaat werd uitgesloten dat betrokkene werkzaam zou kunnen zijn in een leidinggevende functie bij een andere gemeentelijke dienst.

3.3. Zoals door de rechtbank terecht is overwogen treft het gebrek aan feitelijke onderbouwing in gelijke mate zowel het besluit om betrokkene de toegang tot [werkgever] te ontzeggen als het ontslagbesluit.

4. Gelet op het vorenoverwogene slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. De Raad acht termen aanwezig om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

6. Van appellant dient op grond van artikel 22, derde lid, van de Beroepswet alsnog griffierecht te worden geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644, te betalen door de gemeente Delft;

Bepaalt dat van de gemeente Delft een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) O.C. Boute.