Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
05/4708 AW, 05/4710 AW, 06/1225 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Financiële regeling bij ontslag "op andere gronden". Volledige compensatie schade?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2007/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4708 AW, 05/4710 AW en 06/1225 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningsschap West Noord-Brabant, (hierna: bestuur),

en

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 juni 2005, 04/1872 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het bestuur

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld en beide partijen hebben met een verweer-schrift gereageerd op het hoger beroep van de andere partij.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het bestuur bij besluit van 19 januari 2006 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Betrokkene heeft hierop haar zienswijze gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, die zich liet bijstaan door P.F.J.M. Havermans en drs. B.J. Stasse, beiden werkzaam bij de WVS Groep. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T.B. Vandeginste, advocaat te Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Betrokkene was vanaf 1 mei 2002 in deeltijd en vanaf 1 augustus 2002 met een volledige werktijd aangesteld als hoofd van de afdeling [afdeling] (hierna: [afdeling]) genaamd. Met de ook in 2002 in dienst getreden algemeen directeur (hierna: directeur) is vrij spoedig verschil van inzicht ontstaan over het verrichten van werkzaamheden door betrokkene als hoofd [afdeling] voor t[B.V.]standige bedrijven, [B.V.] (hierna: [B.V.]) en de [Stichting] (hierna: [Stichting]), die gelieerd zijn aan de WVS Groep.

1.2. De weigering van betrokkene in januari 2003 om nog langer de tweede handtekening voor betaalopdrachten van [Stichting] te verzorgen leidde tot discussie met de directeur. Betrokkene heeft een door de directeur aangeboden gewijzigde functiebeschrijving, waarin ook werkzaamheden voor genoemde bedrijven werden vermeld, niet aanvaard, hetgeen tot verder dispuut tussen beiden leidde. Aangezien het meningsverschil aanhield en wegens kritiek van de directeur op nog enige andere gedragingen van betrokkene heeft op 17 september 2003 een gesprek plaatsgevonden tussen de voorzitter van het bestuur, de directeur en betrokkene. Nadat betrokkene haar twee collega’s van de afdeling [afdeling] over de inhoud van dit gesprek had ingelicht, hebben deze zich daarover verstaan met een bestuurslid en enige managers. Betrokkene is om die reden vanaf 19 september 2003 geschorst.

1.3. Na zijn voornemen daartoe aan haar kenbaar te hebben gemaakt heeft het bestuur bij besluit van 26 april 2004 betrokkene per 1 mei 2004 met toepassing van artikel 8:8 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) ontslag “op andere gronden” verleend. Bij wijze van regeling als bedoeld in het derde lid van deze bepaling zijn betrokkene de aanvullende en aansluitende uitkering van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO toegekend. Bij besluit van 28 juli 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit vernietigd, voor zover dat betrekking heeft op de hoogte van de uitkering, en is het bestuur opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. Op grond van de overweging dat het bestuur een overwegend aandeel heeft gehad in het (ontstaan en) voortbestaan van de onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding, kon het bestuur volgens de rechtbank niet volstaan met het toekennen van een uitkering op grond van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

3. Het hoger beroep van het bestuur strekt er toe dat het bestreden besluit van 28 juli 2004 alsnog in stand blijft. Het hoger beroep van betrokkene is gericht tegen enige over-wegingen van de rechtbank met betrekking tot het door het bestuur te nemen nieuwe besluit.

3.1. Het partijen verdeeld houdende geschil over de financiële regeling bij het ontslag van betrokkene “op andere gronden” brengt mee dat de Raad in de eerste plaats zal moeten beoordelen of hij de rechtbank kan volgen in haar conclusie dat het bestuur een over-wegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de onherstelbaar verstoorde verhoudingen.

3.2. De Raad overweegt daarover het volgende.

3.3. Het al dan niet moeten verrichten van taken door betrokkene voor [B.V.] en [Stichting] vormt de kern van de moeilijkheden tussen betrokkene en de directeur.

In hoger beroep heeft het bestuur het gedrag van betrokkene op dit punt formalistisch, halsstarrig en contraproductief genoemd. Betrokkene heeft zich onvoldoende flexibel betoond met betrekking tot het plaatsen van de tweede handtekening en de aanvulling van de functiebeschrijving. Het bestuur ziet hierin verwijtbaar gedrag van betrokkene.

3.3.1. De Raad wijst erop dat uit de gedingstukken blijkt dat verscheidene deskundigen de opvatting van betrokkene onderschreven hebben dat zonder deugdelijk vastgelegde afspraken het verzorgen van de tweede handtekening voor betaalopdrachten van bedrijven als [B.V.] en [Stichting] onverantwoord is. Deze deskundigen achtten ook een taakstelling voor die bedrijven in de functiebeschrijving van het hoofd [afdeling] niet passend.

De Raad is in dit licht van oordeel dat betrokkene het gelijk aan haar zijde heeft, waar zij stelt dat het onder de gegeven omstandigheden onverantwoord was om de betreffende betalingsopdrachten van een tweede handtekening te voorzien; volgens betrokkene was er geen sprake van een voldoende administratieve organisatie, waardoor een controle op juistheid van de desbetreffende betalingen niet goed mogelijk was en was ook haar bevoegdheid om voor een andere rechtspersoon dan de WVS Groep te tekenen nog onvoldoende geregeld.

3.3.2. Voor de Raad staat aldus vast dat betrokkene uit een oogpunt van haar - onbetwiste - professionele verantwoordelijkheid niet ten onrechte geweigerd heeft de tweede handtekening voor betaalopdrachten van [Stichting] te verzorgen. Dat betrokkene de flexibiliteit had moeten hebben om toch die tweede handtekening te blijven verzorgen, kan de Raad niet onderschrijven. Het bestuur heeft niet weersproken dat betrokkene herhaaldelijk niet in staat was om de rechtmatigheid van een betaalopdracht van [Stichting] te controleren. Evenmin heeft het bestuur weersproken dat de directeur en een ander directielid van de WVS Groep, in hun functies van voorzitter en bestuurslid van [Stichting], bevoegd waren om de tweede handtekening te plaatsen. Betalingen van [Stichting] konden dus zonder enige vertraging gerealiseerd worden zonder dat betrokkene daaraan meewerkte. Ook de omstandigheid dat het tot stand brengen van een serviceniveau-overeenkomst enige tijd vergde en dat er inmiddels wel gewerkt werd aan het treffen van zo’n overeenkomst, kan naar het oordeel van de Raad niet meebrengen dat betrokkene haar professionele integriteit nog langer op het spel moest zetten.

3.3.3. De weigering van betrokkene om taken voor [B.V.] en [Stichting] in haar functie-beschrijving te aanvaarden kan reeds op grond van het vorenstaande evenmin als verwijtbaar gedrag of een verwijtbaar gebrek aan flexibiliteit aangemerkt worden.

3.3.4. De gedingstukken laten verder zien dat de directeur aan zijn wens met betrekking tot de werkzaamheden van betrokkene voor [B.V.] en [Stichting] is blijven vasthouden ondanks de gemotiveerde bezwaren van betrokkene en ondanks het negatieve advies daaromtrent van deskundigen. De Raad stelt vast dat ingevolge artikel 5, vierde lid, van het Mandaatstatuut 2000 de directeur geen mandaat heeft voor het nemen van beslissingen in personele aangelegenheden ten aanzien van leden van het management-team, waartoe ook betrokkene hoorde. Dit brengt mee dat alleen het bestuur bevoegd was om een wijziging aan te brengen in de functiebeschrijving van betrokkene, waarin geen werkzaamheden voor meergenoemde bedrijven waren opgenomen.

3.4. De Raad deelt niet de zienswijze van de rechtbank dat de verstoring van de verhoudingen óók in hoge mate aan het bestuur is te wijten omdat dit niet tijdig zijn verantwoor-delijkheid zou hebben genomen en reeds direct op had moeten treden op het moment dat het ervan kennis kreeg dat de opvattingen van het hoofd [afdeling] en de directeur botsten. Naar het oordeel van de Raad kan aan het bestuur niet worden tegengeworpen dat het pas een gesprek met de betrokkene heeft gearrangeerd, nadat de directeur had aangegeven dat hij de gerezen problemen niet had kunnen oplossen, ook niet nadat daarin door een derde, de heer Cobben, was bemiddeld.

3.4.1. De Raad deelt wel de zienswijze van het bestuur dat betrokkene niet juist heeft gehandeld met het doen van uitlatingen in een tweetal bestuursvergaderingen. Betrokkenes wens om het bestuur in te lichten over de opvatting van de afdeling [afdeling] over de financiële onderbouwing van de voorgenomen fusie tussen Bouw en Groen is niet onbegrijpelijk, maar het was niet passend om zulks tegen het verbod van de directeur in tijdens de bestuursvergadering te doen. Betrokkene had daartoe een andere methode kunnen en moeten kiezen.

3.5. Voor het bestuur komt waar het gaat om de betrokkene verweten gedragingen doorslaggevende betekenis toe aan hetgeen betrokkene na het gesprek op 17 september 2003 heeft gedaan én nagelaten. Betrokkene heeft daarmee naar de opvatting van het bestuur de vertrouwensrelatie geschonden en de situatie laten escaleren.

3.5.1. De Raad stelt voorop dat hij voorbij gaat aan hetgeen betrokkene in hoger beroep over haar contact met bestuurslid Van der Velden hieromtrent naar voren heeft gebracht, aangezien het bestuur de juistheid daarvan heeft betwist en betrokkene deze informatie zonder adstructie voor het eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht.

3.5.2. De Raad is van oordeel dat betrokkene er niet verstandig aan heeft gedaan om haar collega’s uitvoerig in te lichten over hetgeen op 17 september 2003 besproken was, omdat zij moest weten dat zij hiermee riskeerde dat het conflict door te verwachten acties van haar collega’s zou kunnen escaleren, terwijl het betrokkene daarnaast ook bekend was dat de voorzitter van het bestuur op korte termijn op de kwestie zou terugkomen.

3.5.3. Daargelaten dat naar het oordeel van de Raad aan dit gedrag op zichzelf nog niet de zware kwalificatie van een schending van de vertrouwensrelatie kan worden verbonden, verdient de kritiek op betrokkene enige nuancering. Betrokkene en de enige twee andere medewerkers van de afdeling [afdeling] vormden een goed samenwerkend team en deelden tevens samen een werkkamer, zodat de medewerkers van betrokkene in feite steeds onmiddellijk van al hetgeen op de afdeling [afdeling] speelde op de hoogte waren. Aangezien betrokkene niet verzocht is om het besprokene vóór zich te houden, valt het inlichten van deze medewerkers wel enigermate te begrijpen. De Raad kan er ook niet aan voorbij zien dat de directeur reeds in het begin van de bespreking de voortzetting van betrokkenes aanstelling binnen de WVS Groep ter discussie heeft gesteld. Bij betrokkene kon daardoor gemakkelijk de indruk ontstaan dat het voor haar een verloren zaak was.

3.5.4. Het vorenstaande neemt niet weg dat betrokkene naar het oordeel van de Raad uit hoofde van haar eigen verantwoordelijkheid als hoofd [afdeling] met kracht van argumenten had behoren te trachten haar collega’s te weerhouden van hun acties en hen te laten wachten op de vervolgstappen van het bestuur. Betrokkene heeft dat echter welbewust niet gedaan. Betrokkene had moeten onderkennen dat zij aldus de verdenking op zich zou laden haar collega’s en een bestuurslid ter verdediging van haar persoonlijke rechtspositie voor haar karretje te spannen.

3.6. Alle hiervoor genoemde omstandigheden in onderling verband beziend en met name gelet op hetgeen onder 3.3.1. tot en met 3.3.4. is overwogen, deelt de Raad zij het op enigszins andere gronden, de conclusie van de rechtbank dat niet betrokkene, maar de directeur en het bestuur een overwegend aandeel hebben gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. Hoewel voorts ook betrokkene een duidelijk aandeel heeft gehad, slaagt het hoger beroep van het bestuur dus niet.

3.7. Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene resteert de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het bestuur bij het nemen van een nieuw besluit rekening mag houden met het relatief korte dienstverband van betrokkene. De Raad ziet geen grond om dit oordeel onjuist te achten. Bij het treffen van een regeling als bedoeld in artikel 8:8, derde lid, van de CAR/UWO mogen alle relevante omstandigheden betrokken worden. De duur van het dienstverband van de ambtenaar kan daar ook toe behoren. Derhalve slaagt ook het hoger beroep van betrokkene niet.

3.8. Al het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

4. Bij het in rubriek I genoemde besluit van 19 januari 2006 heeft het bestuur - onder voorbehoud van de uitkomst van zijn hoger beroep - het besluit houdende de financiële regeling bij het ontslag in zoverre herroepen dat aan betrokkene, naast de aanvullende en aansluitende uitkering van hoofdstuk 10a van de CAR/UWO, een bedrag van € 27.000,- bruto wordt toegekend. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak en hiermee niet volledig aan het bezwaar van betrokkene is tegemoetgekomen, dient dit besluit met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het onderhavige geding betrokken te worden.

4.1. Betrokkene meent dat dit besluit in rechte geen stand kan houden omdat haar schade volledig gecompenseerd moet worden. Betrokkene miskent aldus dat ook zij een - niet verwaarloosbaar - aandeel heeft gehad in het (ontstaan en) voortbestaan van de onherstel-baar verstoorde verhoudingen en dat het bij een regeling als hier aan de orde niet gaat om een schadevergoeding, waarmee de financiële gevolgen van het ontslag geheel worden weggenomen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat het bestuur niet heeft kunnen volstaan met de bij besluit van 19 januari 2006 toegekende financiële regeling. De Raad merkt hierbij nog op dat hij geen aanleiding ziet om hierbij rekening te houden met de kosten van betrokkene voor het inroepen van de hulp van deskundigen tijdens de procedure, aangezien het Besluit proceskosten bestuursrecht daarvoor voorzieningen kent.

4.2. Het beroep dat betrokkene wordt geacht te hebben ingesteld tegen het nieuwe besluit dient ongegrond verklaard te worden.

5. De Raad acht termen aanwezig om het bestuur met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 644,- aan kosten wegens aan betrokkene in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 januari 2006 ongegrond;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,-, te betalen door het Werkvoorzieningschap West Noord-Brabant ;

Bepaalt dat van het Werkvoorzieningschap West Noord-Brabant een griffierecht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) O.C. Boute.