Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6771

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
05-3600 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek tot ongedaan maken van toegepaste seniorenregeling. Herhaalde aanvraag. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3600 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 mei 2005, 04/2543 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Stichting [naam stichting] (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens het dagelijks bestuur is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote J.H. Peters-Schoenmakers. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, die werkzaam was als pianoleraar bij de Stichting [naam stichting] te Boxmeer, heeft bij schrijven van 10 maart 2001 verzocht om met ingang van het eerstvolgende cursusjaar gebruik te kunnen maken van de seniorenregeling als bedoeld in artikel 5:1 van de CAR/UWO (hierna: seniorenregeling). Dit verzoek is bij besluit van 29 maart 2001 toegewezen en heeft ertoe geleid dat met ingang van 1 augustus 2001 - conform voornoemd artikel - appellants arbeidsuren met 20% zijn verminderd onder doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.

1.2. Bij schrijven van 28 januari 2004 heeft appellant verzocht de op hem toegepaste seniorenregeling ongedaan te maken. Daarop heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 25 maart 2004 afwijzend beslist. Tegen deze afwijzing heeft appellant bezwaar gemaakt. Nadat appellant bij schrijven van 20 juli 2004 was bericht dat het dagelijks bestuur zijn bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard, heeft het dagelijks bestuur bij nieuw besluit op bezwaar van 23 september 2004 zijn eerdere beslissing op bezwaar ingetrokken, het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 25 maart 2004 gehandhaafd (hierna: bestreden besluit).

1.3. Aan appellant is per 1 april 2004 op zijn verzoek ontslag verleend onder toepassing van het FPU-reglement.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet gezegd kan worden dat het dagelijks bestuur in redelijkheid niet heeft mogen weigeren op zijn eerdere besluit terug te komen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Allereerst stelt de Raad vast dat het besluit van 29 maart 2001, waarbij het verzoek van appellant om gebruik te maken van de seniorenregeling is gehonoreerd, in rechte onaantastbaar is geworden, nu appellant tegen dit besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De Raad onderschrijft het oordeel van het dagelijks bestuur en de rechtbank dat het verzoek van 28 januari 2004 om de seniorenregeling terug te draaien dient te worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte onaantastbare besluit van 29 maart 2001.

3.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank bij haar beoordeling in de aangevallen uitspraak een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Onder verwijzing naar bijvoorbeeld CRvB 10 augustus 2006, LJN AY6558 en TAR 2006, 173, dient de bestuursrechter bij zijn beoordeling van een verzoek om terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit als het onderhavige uit te gaan van het oorspronkelijke besluit en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.3. Ter ondersteuning van zijn verzoek heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat ten tijde van zijn verzoek om gebruik te kunnen maken van de seniorenregeling in maart 2001, hij van de zijde van zijn werkgever is misleid dan wel onvolledig is voorgelicht omtrent het recht op een aanvulling werkgever in het kader van de FPU Gemeenten, zoals neergelegd in hoofdstuk 5a van de CAR/UWO. Terwijl de werkgever wist dat de CAR/UWO - met terugwerkende kracht - zou worden gewijzigd, heeft een medewerker van de afdeling personeelszaken hem meegedeeld dat gebruikmaking van de seniorenregeling geen consequenties zou hebben en is hem slechts een verouderde versie van de CAR/UWO, waarin hoofdstuk 5a met betrekking tot FPU Gemeenten (nog) niet aanwezig was, aangeboden ter inzage. Eerst toen appellant met FPU-ontslag wilde gaan, is hij ervan op de hoogte gekomen dat hij bij gebruikmaking van de seniorenregeling, op grond van artikel 5a:1 van de - inmiddels gewijzigde - CAR/UWO, geen recht zou hebben op de aanvulling werkgever in het kader van de FPU Gemeenten.

3.4. De Raad ziet met het dagelijks bestuur in het door appellant aangevoerde geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin. Daartoe overweegt de Raad dat reeds per 1 januari 2000 hoofdstuk 5a in de CAR/UWO is opgenomen, welk feit appellant derhalve had kunnen kennen, en voorts dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van de zijde van zijn werkgever is misleid of onjuist is voorgelicht over de consequenties van de gebruikmaking van de seniorenregeling. In het bijzonder heeft appellant het betoog van de zijde van het dagelijks bestuur dat het door appellant gestelde ten aanzien van de inzage van de losbladige CAR/UWO-editie niet kan kloppen, niet weerlegd. De enkele omstandigheid dat appellant zich er destijds niet van bewust is geweest en eerst later heeft bemerkt dat door gebruik te maken van de seniorenregeling de aanspraak op de aanvulling FPU-gemeente verloren ging, noch ook het feit dat appellant daarop door zijn werkgever niet expliciet is gewezen, kunnen worden beschouwd als een nieuw opgekomen feit of omstandigheid in vorenbedoelde zin.

3.5. Ook het gegeven dat appellant gezien zijn geboortedatum, op grond van artikel 5:6, tweede lid, van de CAR/UWO, geen recht had op deelname aan de seniorenregeling, zodat de honorering van appellants verzoek om van de seniorenregeling gebruik te maken in strijd met een algemeen verbindend voorschrift is genomen, betekent, gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 2 mei 1991, LJN ZB4054 en TAR 1991, 130), ook in dit geval niet dat het dagelijks bestuur gehouden was om van het besluit terug te komen.

3.6. Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit stand houdt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

30.12