Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6769

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
05/1856 AW, 06/876 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenuitvoerlegging voorwaardelijk strafontslag. Ernstig plichtsverzuim. Terugvordering ten onrechte verstrikte bovenwettelijke ziekteuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1856 AW en 06/876 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 14 februari 2005, 04/758 (hierna: aangevallen uitspraak 1), en van

22 december 2005, 05/976 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heiloo (hierna: college)

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.A.A.M. Mijland, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Zwolle, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Namens het college zijn verweerschriften ingediend door mr. J.J. Blanken en mr. J.van Zanten, beiden werkzaam bij CAPRA te ’s-Gravenhage.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mijland. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Zanten en door ir. P.M. Twisk en mr. S. Dangel-Ouchene, beiden werkzaam bij de gemeente Heiloo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sinds 1978 werkzaam bij de gemeente Heiloo, laatstelijk in de functie van medewerker wijken. Nadat hij in 1997 al eens disciplinair was gestraft, is aan appellant bij besluit van 7 februari 2002 wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaarden-regeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Daarbij is, voor zover hier van belang, met toepassing van artikel 16:1:2, derde lid, van de CAR/UWO bepaald dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd indien appellant zich gedurende een termijn van twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Dit besluit is, na de ongegrondverklaring van het daartegen ingediende bezwaarschrift en de intrekking van het tegen de beslissing op bezwaar ingestelde beroep, in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Bij besluit van 30 september 2003 is het college per 1 oktober 2003 overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafontslag. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant sinds februari 2002 meermalen ongeoorloofd afwezig is geweest op de werkplek en op maandag 18 augustus 2003 zonder verlof op vakantie is gegaan, waarmee hij zich aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij besluit van 10 maart 2004 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.3. Nadat appellant zich op 22 september 2003 had ziek gemeld, is hem bij besluiten van 17 november 2003 met ingang van 1 oktober 2003 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een uitkering op grond van de Ziektewet en (namens het college) een bovenwettelijke ziekteuitkering toegekend. Nadat appellant met ingang van 15 september 2004 weer arbeidsgeschikt was verklaard, heeft hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering aangevraagd. Deze zijn hem bij besluiten van 18 oktober 2004 geweigerd, omdat hij verwijtbaar werkloos werd geacht.

1.4. Bij besluiten van 7 september 2004 en 13 oktober 2004 is appellant meegedeeld dat, aangezien hij wegens plichtsverzuim is ontslagen, hem ten onrechte een bovenwettelijke ziekteuitkering is verstrekt en is het ten onrechte betaalde bedrag van € 1.372,33 van hem teruggevorderd. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 maart 2005 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

3.1. De Raad stelt vast dat het college, naar aanleiding van enkele gevallen van ongeoorloofde afwezigheid, welke op zichzelf niet worden betwist, appellant bij brief van 20 maart 2003 nog eens gewezen heeft op de afgesproken werktijden, en hem heeft gewaarschuwd dat ongeoorloofde afwezigheid als plichtsverzuim zou worden bestraft. Bij brief van 22 juli 2003, waarin appellant de verplichting is opgelegd verlof voortaan ten minste twee weken tevoren bij zijn leidinggevende schriftelijk en met redenen omkleed aan te vragen, is appellant “voor de laatste maal” gewaarschuwd dat bij de eerstvolgende constatering van plichtsverzuim tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag zou worden overgegaan.

3.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief dat het college niet bevoegd was deze verplichting op te leggen. De Raad beschouwt deze opdracht als een normaal sturingsmiddel binnen de interne ambtelijke verhoudingen dat, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, gelet op het eerdere plichtsverzuim niet kennelijk onredelijk is te achten.

3.3. Dit karakter van sturingsmiddel brengt tevens mee dat de grief van appellant dat zijn brief van 14 augustus 2003, waarin hij naar het waarom van de opgelegde verplichting informeerde, ten onrechte niet als bezwaarschrift is aangemerkt, (reeds hierom) geen doel treft. Volgens vaste jurisprudentie immers (bijv. CRvB 18 oktober 2001, TAR 2002, 8) is een dergelijk sturingsmiddel niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch als een andere handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb, zodat de opgelegde verplichting niet vatbaar is voor bezwaar en beroep.

3.4. Wat betreft de feitelijke toedracht van de gebeurtenissen in juli, augustus en september 2003, die uiteindelijk hebben geleid tot het strafontslag van appellant, verschillen partijen op een aantal punten van mening. Zo heeft appellant gesteld dat hij reeds op 21 juli (derhalve vóór de brief van 22 juli) 2003 en niet pas op 24 juli 2003 telefonisch aan een medewerkster van de gemeente mededeling heeft gedaan van zijn verzoek om verlof op te mogen nemen over de periode van 18 augustus tot (en met) 10 september 2003. Voorts heeft appellant gesteld dat hij reeds was vertrokken vóór de bezorging van de brief van 15 augustus 2003 aan zijn huisadres op diezelfde datum, waaruit hij had moeten opmaken, dat hem geen vakantieverlof was verleend; een lezing die door het college in twijfel wordt getrokken.

3.5. Wat er ook zij van deze verschillende visies op de gebeurtenissen, de Raad stelt vast dat appellant op de hoogte was van de brief van 22 juli 2003 en van de daarin vervatte verplichting tot het schriftelijk aanvragen van verlof, maar desondanks niet daaraan heeft voldaan. De Raad acht onaannemelijk dat appellant, zoals hij heeft verklaard, een schriftelijke aanvraag uitsluitend achterwege heeft gelaten omdat hij niet kon beschikken over een aanvraagformulier.

3.6. De Raad stelt voorts vast dat appellant de brief van 11 augustus 2003 heeft ontvangen, waarin hij werd uitgenodigd voor een gesprek dat mede betrekking zou hebben op de telefonische verlofaanvraag van 24 juli 2003. Appellant heeft hieruit kunnen en moeten afleiden, dat het college deze verlofaanvraag (nog) niet had ingewilligd. De Raad acht het, gegeven het inmiddels gegroeide arbeidsconflict, ook begrijpelijk dat het college voorafgaand aan de verlening van het verlof eerst een gesprek met appellant wenste, waarin tevens over een plan van aanpak met betrekking tot zijn ziekteverzuim gesproken zou worden. Door ondanks de voorafgaande waarschuwingen met vakantie te gaan zonder dat het door het college gewenste gesprek had plaatsgevonden en zonder dat vakantieverlof was verleend, heeft appellant zich ook naar het oordeel van de Raad aan plichtsverzuim schuldig gemaakt.

3.7. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij de beoordeling van de ernst van het plichtsverzuim door het college mocht worden meegewogen dat appellant zich met zijn herhaaldelijke afwezigheid aan doorgaand ongeoorloofd gedrag schuldig heeft gemaakt. Mede hierom deelt de Raad het oordeel dat het gedrag van appellant als ernstig plichtsverzuim is te kwalificeren. Het college was derhalve bevoegd tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag over te gaan. Niet kan worden staande gehouden dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

3.8. Het bestreden besluit 1 houdt derhalve in rechte stand. De aangevallen uitspraak 1 komt voor bevestiging in aanmerking.

4.1. Tegen het bestreden besluit 2 heeft appellant slechts als grief ingebracht dat het gegeven ontslagbesluit onjuist is, aangezien appellant zich niet aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Nu, zoals hierboven is overwogen, deze grief geen doel treft, houdt ook het bestreden besluit 2 in rechte stand, en komt de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

4.2. Appellant heeft in zijn beroepschrift tegen de aangevallen uitspraak 2 tevens verzocht om een uitspraak van de Raad over de onder 1.3. genoemde weigering van de aangevraagde werkloosheidsuitkeringen. Nu het bestreden besluit 2 en de aangevallen uitspraak 2 slechts betrekking hebben op de herziening en terugvordering van de aan appellant toegekende bovenwettelijke ziekteuitkering, moet het hoger beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het hoger beroep ter zake van de aangevallen uitspraak 2, voor zover betrekking hebbend op de weigering van werkloosheidsuitkeringen, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) O.C. Boute.