Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
05-5221 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vervolgbehandeling fysiotherapie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5221 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juli 2005, 05/361 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van IZA Nederland (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 11 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Klerk, werkzaam bij IZA Nederland.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante viel vanaf 1 oktober 2002 onder de zorgverzekering van IZA Nederland.

1.2. Het dagelijks bestuur heeft haar op grond van artikel 1, eerste lid, van het Reglement Basisverzekering IZA/AZ in samenhang met de daarbij behorende vergoedingenlijst 2004, als in de aangevallen uitspraak weergegeven, vergoeding verleend voor 9 behandelingen met fysiotherapie vanaf 14 oktober 2002.

1.3. Op 18 november 2003 heeft appellante het dagelijks bestuur verzocht om haar machtiging te verlenen de fysiotherapie met nog 9 behandelingen voort te zetten. Zij heeft daarbij aangegeven dat zij klachten had aan nek en schouder met uitstraling naar de arm.

Bij besluit van 8 december 2003 heeft het dagelijks bestuur dit verzoek met toepassing van artikel 17 van de IZA/AZ Aanvullende Verzekering ingewilligd. Daarbij is opgemerkt dat voor verdere behandelingen geen machtiging kan worden verleend.

1.4. Op 12 maart 2004 heeft appellante het dagelijks bestuur verzocht haar machtiging voor 18 behandelingen met fysiotherapie te verlenen voor nek- en schouderklachten.

Bij besluit van 29 maart 2004 is dit verzoek afgewezen.

1.5. Nadien heeft appellante een verklaring van haar huisarts van 21 juni 2004 aan het dagelijks bestuur doen toekomen. Daarin is vermeld dat uit van de nek van appellante gemaakte röntgenfoto’s is gebleken dat er bij haar sprake is van facetartrose op meerdere cervicale niveaus. Gelet hierop heeft de huisarts appellante op 21 juni 2004 doorverwezen naar de fysiotherapeut.

1.6. Naar aanleiding hiervan heeft het dagelijks bestuur bij het primaire besluit van 14 september 2004 wederom geweigerd appellante een machtiging als verzocht te verlenen.

1.7. Bij het bestreden besluit van 3 januari 2005 heeft het dagelijks bestuur dit besluit na daartegen door appellante gemaakt bezwaar gehandhaafd. Het dagelijks bestuur heeft hierbij het ter zake door de adviescommissie bezwaarschriften uitgebrachte advies overgenomen. In dit advies is de stelling van appellante dat het hier gaat om een eerste serie van 9 behandelingen met fysiotherapie omdat deze zijn voorgeschreven op basis van een andere diagnose dan RSI, welke eerder als diagnose was gesteld, verworpen. Naar de mening van de commissie betekent de nieuwe diagnose artrose niet dat hier van een nieuw ziektegeval kan worden gesproken. Deze diagnose ziet immers op dezelfde klachten als waarvoor appellante eerder is behandeld. Ten slotte heeft de commissie overwogen dat de nieuwe diagnose ook niet meebrengt dat langdurige behandeling medisch noodzakelijk is, in welk geval een machtiging voor verdere behandeling met fysiotherapie mogelijk zou zijn. Het gaat hier niet om een aandoening die voorkomt op de lijst van aandoeningen voor langdurige of intermitterende fysiotherapie en oefen-therapieën Cesar/Mensendieck als in de vergoedingenlijst bedoeld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. In de vergoedingenlijst 2004 is bepaald dat de vergoeding voor fysiotherapie per ziektegeval 100% van het tarief bedraagt voor maximaal 9 zittingen. Vergoeding voor meer dan 9 zittingen is uitsluitend mogelijk na voorafgaande machtiging. Machtiging wordt uitsluitend verleend als door IZA is vastgesteld dat langdurige medische behandeling noodzakelijk is. Dat is het geval bij indicaties volgens de onder 1.7. vermelde lijst.

3.2. Appellante heeft in hoger beroep uitsluitend aangevoerd dat het hier gaat om een nieuw ziektegeval in de zin van de vergoedingenlijst 2004 aangezien zij nu geheel andere klachten heeft dan die waarvoor zij eerder is behandeld met fysiotherapie.

3.3. De Raad kan appellante hierin niet volgen. De klachten voor de kosten van behandeling waarvan zij thans vergoeding heeft gevraagd, betreffen haar nek. De klachten voor de kosten van behandeling waarvan het dagelijks bestuur eerder vergoeding aan appellante heeft verleend, hadden eveneens (mede) op haar nek betrekking. Appellante heeft geen medische verklaringen overgelegd die erop duiden dat de eerdere en de latere nekklachten van verschillende aard waren of dat daaraan verschillende medische aandoeningen ten grondslag lagen. Van aanwijzingen daarvoor is de Raad ook overigens niet gebleken. Daarbij verdient aantekening dat de medisch adviseur van het dagelijks bestuur heeft geoordeeld dat het hier steeds gaat om dezelfde klachten en dus niet kan worden gesproken van een nieuw ziektegeval; dat in een later stadium pas de diagnose artrose is gesteld, maakt dit niet anders. Voor de behandeling van dit ziektegeval heeft appellante het maximale aantal zittingen fysiotherapie vergoed gekregen.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar 11 januari 2007.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) O.C. Boute.

HD

27.12