Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
04-5685 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Toelichting in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5685 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 14 september 2004, 03/2275 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 december 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde D. Ilievski. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. I.M. de Groot.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 19 mei 2003 is de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 31 juli 2003 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Bij besluit van 16 oktober 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard waarbij zij heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De rechtbank heeft met name overwogen dat uit de, op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts uitgebrachte, expertise van de psychiater P.J.H. Notten van 26 september 2003 blijkt dat appellante op de datum in geding benutbare mogelijkheden heeft en dat deze expertise geen aanknopingspunten bevat om appellante meer beperkt te achten dan door de verzekeringsarts is aangenomen.

De in hoger beroep aangevoerde grieven vormen een herhaling van wat in bezwaar en beroep bij de rechtbank is aangevoerd. Appellante acht zich niet in staat arbeid te verrichten en is van mening dat zij op psychische gronden onveranderd volledig arbeidsongeschikt geacht dient te worden.

Wat betreft de medische beoordeling is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat er, gelet op de stukken, geen grond voor twijfel is aan de door de verzekeringsartsen in acht genomen medische beperkingen van appellante. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. Appellante heeft ook in hoger beroep geen (medische) stukken ingediend die aanleiding geven tot twijfel aan de medische beoordeling.

Ten aanzien van de arbeidskundige onderbouwing van het besluit van 16 oktober 2003 stelt de Raad vast dat het Uwv noch in bezwaar, noch in beroep een adequate toelichting heeft gegeven van op de niet met de belastbaarheid van appellante matchende punten in de functiebelastingen van de aan dit besluit ten grondslag liggende functies. Gelet daarop en op zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR 4716 t/m 4719, ziet de Raad aanleiding zowel het besluit van 16 oktober 2003 als de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Voorts is de Raad van oordeel dat het Uwv met de in hoger beroep overgelegde rapportage van de bezwaararbeids- deskundige P. Blom van 18 maart 2005 voldoende heeft toegelicht dat de voor de schatting per 31 juli 2003 gebruikte functies door appellante kunnen worden verricht.

De Raad ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 25,50 aan reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 oktober 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 25,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.