Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
05-4619 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoeding proceskosten in bezwaarfase. Voldaan aan voorwaarden artikel 7:15 Awb?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4619 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juni 2005, 04/4676 WAO, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[adresbetr], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 5 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft K. Abel, medewerker van de Juricon Adviesgroep BV te Assen, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout, werkzaam bij appellant. Namens betrokkene heeft J.R. Beukema, als vervanger van boven genoemde gemachtigde, het woord gevoerd.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 24 oktober 2003 heeft appellant de aan betrokkene toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 24 december 2003 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 %.

Het daartegen namens betrokkene gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 30 september 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft de medische grondslag van dit besluit onderschreven, maar geoordeeld dat appellant de arbeidskundige grondslag ervan onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft het beroep derhalve gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de door betrokkene gemaakte proceskosten (ten bedrage van € 966,--) en in de kosten van deskundigenrapportages (twee maal € 740,52), waarbij de rechtbank ook het indienen van een bezwaarschrift in aanmerking heeft genomen.

Namens betrokkene is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, bij de Raad geregistreerd onder nr. 05/4427 WAO. Ook appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft appellant er met name op gewezen dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 8:75 in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een voorwaarde voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is immers de herroeping van het primaire besluit - waarvan in dit geval (nog) geen sprake is -, terwijl van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid als in dit artikelonderdeel bedoeld slechts sprake is bij het verwijtbaar maken van inhoudelijke fouten en niet (als hier aan de orde) bij (een vernietiging wegens) een ondeugdelijke motivering.

Betrokkene heeft zich op dit punt aan het oordeel van de Raad gerefereerd.

De Raad oordeelt als volgt.

Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb stelt uitdrukkelijk als voorwaarde voor het vergoeden door het bestuursorgaan van in bezwaar gemaakte kosten dat, onder andere, het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt, wordt herroepen wegens een aan dat orgaan te wijten onrechtmatigheid. Het primaire besluit is echter niet door appellant herroepen en ook de rechtbank heeft zulks niet, met gebruikmaking van artikel 8:72, vierde lid van de Awb, gedaan. Aan deze voorwaarde voor toewijzing van een verzoek tot vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten was derhalve niet voldaan.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep in zoverre slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat appellant proceskosten gemaakt in de bezwaarfase dient te vergoeden.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant proceskosten dient te vergoeden die betrekking hebben op kosten gemaakt in de bezwaarfase.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Riphagen en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2007.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.

RB1201