Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
23-01-2007
Zaaknummer
06/3663 WWB + 06/3664 WWB +06/5902 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling loonkostensubsidie in de vorm van overeenkomsten. Rechtsmiddelen? Nader besluit.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 608
ABkort 2007/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3663 WWB

06/3664 WWB

06/5902 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden gevestigd te [vestigingsplaats], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2006, 05/3849

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

(hierna: College)

Datum uitspraak: 10 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft [bestuurder], enig bestuurder van appellanten, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de behandeling van de zaken met reg.nrs. 06/1027 WWB, 06/1031 WWB, 06/1299 WWB, 06/1301 WWB, 06/1302 WWB, 06/1303 WWB, 06/1305 WWB, 06/1306 WWB, 06/1308 WWB, 06/1309 WWB, 06/1310 WWB, 06/1311 WWB, 06/1312 WWB, 06/1314 WWB, 06/1316 WWB, 06/1317 WWB, 06/1318 WWB, 06/1319 WWB, 06/1320 WWB, 06/1322 WWB, 06/2190 WWB, 06/2191 WWB, 06/2711 WWB, 06/2712 WWB, 06/2713 WWB, 06/2714 WWB, 06/3650 WWB, 06/3651 WWB, 06/3666 WWB, 06/3667 WWB, 06/4363 WWB, 06/4365 WWB, 06/4366 WWB, 06/5850 WWB en 06/6083 WWB plaatsgevonden op 5 september 2006. Appellanten hebben zich laten vertegenwoordigen door [bestuurder]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G.M. ter Laak en mr. J.C. Arendse.

In de zaken met de reg.nrs. 06/4363, 06/4365 en 06/4366 is op 3 oktober 2006 uitspraak gedaan. Het hoger beroep in de zaken 06/1312 WWB, 06/1314 WWB, 06/1316 WWB, 06/1317 WWB, 06/1318 WWB, 06/1319 WWB, 06/1320 WWB, 06/1322 WWB, 06/2190 WWB en 06/2191 WWB is ter zitting van 5 september 2006 ingetrokken.

De zaken met de reg.nrs. 06/1299 WWB, 06/1301 WWB, 06/1302 WWB, 06/1303 WWB, 06/1305 WWB, 06/1306 WWB, 06/1308 WWB, 06/1309 WWB, 06/1310 WWB en 06/1311 WWB zijn door een administratieve misslag ten onrechte aangelegd en blijven verder buiten behandeling.

Na de zitting is het onderzoek in de overige zaken heropend. Partijen hebben nadere inlichtingen ingezonden.

Het College heeft op 9 oktober 2006 een besluit genomen inhoudende vaststelling van loonkostensubsidie over de jaren 2000 tot en met 2002.

Deze zaken zijn opnieuw behandeld ter zitting van 21 november 2006. Appellanten hebben zich opnieuw laten vertegenwoordigen door [bestuurder]. Het College heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. Ter Laak en mr. Arendse.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat hij, gelet op artikel 4 van de Invoeringswet Wet werk en bijstand, bevoegd is kennis te nemen van het onderhavige hoger beroep.

Bij besluit van 28 mei 2003 heeft het College het verzoek van appellanten om op grond van het Besluit in- en doorstroombanen (KB 17 december 1999, Stb. 1999, 591; hierna: het Besluit) subsidiebesluiten te nemen met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2002 afgewezen op de grond dat de bevoegdheid tot het nemen van die besluiten was overgedragen aan de NV Werk. Een daartegen gemaakt bezwaar is bij besluit van

27 augustus 2003 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 november 2003, reg.nr. 03/4024, heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en, zelf voorziend, het bezwaar ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep bij uitspraak van

21 juli 2004, reg.nrs. 200307201/1 en 200400119/1, gegrond verklaard en de uitspraak van 28 november 2003 vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar alsnog ongegrond is verklaard. Hieraan is door de Afdeling ten grondslag gelegd dat niet de NV Werk maar het College bevoegd is te beslissen op verzoeken om subsidie op grond van het Besluit.

Bij besluit van 28 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

28 mei 2003 alsnog gegrond verklaard en het besluit van 28 mei 2003 herroepen. In het aan het nieuwe besluit op bezwaar ten grondslag gelegde advies van de bezwaarschriften-commissie van 20 juni 2005 is overwogen dat nieuwe besluitvorming met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2002 niet nodig is. Met betrekking tot die jaren heeft de subsidiëring in het kader van het Besluit plaatsgevonden in de vorm van overeenkomsten tussen de NV Werk en appellanten. Tegen die werkwijze is toen volgens het College geen bezwaar gemaakt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 28 juni 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat appellanten tegen de (wijze van) subsidiëring over de jaren 2000 tot en met 2002 geen rechtsmiddelen hebben aangewend waardoor deze in rechte onaantastbaar vaststaat. Gelet hierop bestaat er voor het College geen rechtsplicht meer om nogmaals over deze jaren te beslissen.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens zijn grieven aangevoerd tegen het nader door het College genomen besluit van

9 oktober 2006 inhoudende vaststelling van de loonkostensubsidie met betrekking tot de jaren 2000 tot en met 2002.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat het besluit van 9 oktober 2006 genomen is naar aanleiding van het verhandelde op de zitting van de Raad van 5 september 2006. Hij is van oordeel dat dit besluit moet worden aangemerkt als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de beoordeling van de Raad moet worden betrokken.

De Raad zal eerst de vraag beantwoorden of het besluit van 28 juni 2005 in rechte stand kan houden. Daarna zal hij het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2006 beoordelen.

Het besluit van 28 juni 2005

De Raad is van oordeel dat het College in het besluit van 28 juni 2005 heeft miskend dat appellanten met betrekking tot de subsidiëring over de jaren 2000 tot en met 2002 een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb hebben aangevraagd. De omstandigheid dat reeds vergoedingen zijn verstrekt op grond van tussen de NV Werk en appellanten gesloten overeenkomsten kan niet afdoen aan de verplichting om op die aanvraag een inhoudelijk besluit te nemen. Anders dan het College en de rechtbank menen, betekent het feit dat over die vergoedingen overeenkomsten zijn gesloten niet dat aan die (wijze van) bekostiging formele rechtskracht is verbonden in het kader van de bestuursrechtelijke besluitvorming over de subsidiëring. De Raad wijst er op dat tegen die wijze van bekostiging niet de rechtsmiddelen van de Awb hebben opengestaan, zodat aan het verstrijken van de termijn voor het instellen van die rechtsmiddelen niet het gevolg verbonden kan zijn dat de besluitvorming in rechte onaantastbaar is geworden.

Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak wegens strijd met de wet dienen te worden vernietigd.

Het besluit van 9 oktober 2006

De Raad stelt eerst vast dat dit besluit, dat betrekking heeft op de subsidiëring over de jaren 2000 tot en met 2002, dient te worden beoordeeld aan de hand van het Besluit.

Artikel 6, eerste lid, van het Besluit bepaalt dat de werkgever van de gemeente een vergoeding ontvangt voor de kosten die voortvloeien uit een dienstbetrekking die is aangegaan met een langdurig werkloze.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, van het Besluit bepaalt de gemeente bij de verstrekking van de vergoeding bij aanvang van de dienstbetrekking met een bepaalde werknemer de hoogte van de vergoeding voor de volgende jaren.

De Raad stelt op grond van de gedingstukken en in het bijzonder de schriftelijke overeenkomsten tussen de NV Werk en appellanten vast dat door of vanwege het College niet vooraf bij de aanvang van iedere dienstbetrekking met een daarvoor in aanmerking komende werknemer is beslist over de hoogte van de loonkostenvergoeding voor de volgende jaren. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 12, tweede lid, van het Besluit niet in acht is genomen. Hieraan doet niet af dat in de tussen de NV Werk en appellanten gesloten overeenkomsten regels zijn opgenomen aan de hand waarvan de vergoedingen achteraf kunnen worden vastgesteld. Dit betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard wegens strijd met de wet en dat dit besluit dient te worden vernietigd.

Regeling van de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 28 juni 2005 en

9 oktober 2006

De Raad zal bezien of de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 28 juni 2005 en 9 oktober 2006 in stand kunnen blijven.

De Raad beantwoordt die vraag voor het besluit van 28 juni 2005 bevestigend nu het College het besluit van 9 oktober 2006 heeft genomen. Dit maakt het opnieuw nemen van een besluit op het bezwaar van appellanten zinledig.

Met betrekking tot het besluit van 9 oktober 2006 stelt de Raad vast dat dit inhoudt dat de loonkostensubsidie voor de jaren 2000, 2001 en 2002 is vastgesteld op respectievelijk

€ 721.486,15, € 730.490,-- en € 904.414,--. Deze bedragen komen overeen met de door de NV Werk aan appellanten verstrekte vergoedingen.

De door appellanten geuite grief ten aanzien van de toegepaste korting in verband met de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (WVA) begrijpt de Raad, bezien in samenhang met de brief van de accountant van appellanten van

28 september 2004, aldus dat deze zogeheten WVA-korting ten onrechte met terugwerkende kracht is toegepast. De Raad kan appellanten daarin echter niet volgen aangezien zij van het toepassen van die korting tijdig vooraf bij brief van

29 december 1998 en nieuwsbrief van februari 1999 in kennis zijn gesteld. Deze grief treft derhalve geen doel.

De maatstaven aan de hand waarvan de hoogte van de loonkostensubsidie wordt vastgesteld blijken naar het oordeel van de Raad genoegzaam uit de door de NV Werk en appellanten afgesloten en ondertekende overeenkomsten. De inhoud van deze overeenkomsten geeft de bestendige gedragslijn weer die de gemeente Amsterdam bij de toepassing van de artikelen 6, 9 en 12 van het Besluit placht te volgen. De Raad is van oordeel dat deze gedragslijn op zichzelf genomen niet in strijd komt met regels van geschreven of ongeschreven recht, zodat daarin geen grond kan worden gevonden om de toepassing ervan jegens appellanten ongeoorloofd te achten.

Dat appellanten zich een onvoldoende gedetailleerd beeld zouden hebben kunnen vormen van die maatstaven en die toepassing, zodat zij ter zake van die toepassing geen toereikend verweer hebben kunnen voeren kan de Raad niet volgen. Uit het toegezonden besluit en de daarbij gevoegde bijlagen blijkt immers welke bijdragen per werknemer zijn vergoed en welke factoren daarbij een rol hebben gespeeld. Het is in die situatie aan appellanten om gemotiveerd aan te geven in welk opzicht, of op welke concrete punten de vastgestelde vergoeding niet juist zou zijn. Nu dit niet is gebeurd, ziet de Raad geen grond de door het College gedane vaststelling van de loonkostensubsidie over de in geding zijnde jaren voor onjuist te houden.

In het vorenstaande ligt besloten dat de grief van appellanten dat zij recht zouden hebben op een loonkostensubsidie van ten hoogste 130% van het wettelijk minimumloon faalt. De feitelijke juistheid van de stelling van appellanten dat naar deze maatstaf ook bevoorschotting heeft plaatsgevonden, vindt onvoldoende steun in de gedingstukken en is overigens ook door het College ontkend. Hetgeen hierover door appellanten, kennelijk in navolging van hun accountant, is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid, nu dit niet met bewijsmiddelen is onderbouwd.

Conclusie

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, dat het beroep gegrond wordt verklaard, dat het besluit van 28 juni 2005 dient te worden vernietigd en dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

Het voorgaande betekent tevens dat het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2006 gegrond moet worden verklaard, dat dit besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

In het vorenstaande ligt tevens besloten dat het verzoek van appellanten om het College te veroordelen tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling aangezien niet is gebleken van ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 28 juni 2005 en 9 oktober 2006;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

Wijst het verzoek om het College te veroordelen tot schadevergoeding af;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellanten het in beroep betaalde griffierecht van € 276,-- en het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 422,--, in totaal € 698,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en A.B.J. van der Ham als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007.

(get.) R.M. van Male

(get.) M. Pijper

TG11012007