Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
05-4742 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gelaten wegens onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden. Betrokkene is niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4742 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zurphen van 16 juni 2005, 04/1135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Dagelijks Bestuur de taken en bevoegdheden in het kader van de bijstandswetgeving uit die voorheen werden uitgeoefend door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo (hierna: College).

Namens appellant heeft mr. C.A. Boeve, advocaat te Ermelo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boeve. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door B.J. Vrijhof, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft zich op 16 januari 2004 gemeld bij de Centrale organisatie werk en inkomen voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Bij brieven van 12 en 19 februari 2004 is appellant uitgenodigd voor een gesprek met een medewerker van de Afdeling sociale zaken van de gemeente Ermelo (hierna: sociale zaken) en is hem verzocht een aantal nader aangeduide bescheiden mee te nemen. Appellant is op beide afspraken, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Nadat appellant op 24 februari 2004 telefonisch contact had opgenomen, is met hem een afspraak gemaakt voor een gesprek dat op 5 maart 2004 heeft plaatsgevonden. Bij brief van 19 maart 2004 is appellant verzocht de ontbrekende gegevens vóór 31 maart 2004 in te leveren. Op 30 maart 2004 heeft appellant telefonisch contact opgenomen met sociale zaken en meegedeeld dat een aantal gegevens door de curator toegezonden zal worden. Appellant heeft vervolgens op 6 april 2004 een aantal van de gevraagde gegevens overgelegd. Bij besluit van 20 april 2004 heeft het College de aanvraag niet verder in behandeling genomen op de grond dat het College nog steeds over te weinig gegevens beschikt om de aanvraag af te handelen.

Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juni 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft appellant erover geklaagd dat in de bezwaarprocedure is verzuimd hem te horen. Appellant heeft in dit kader aangevoerd dat hij nimmer een uitnodiging heeft ontvangen om zich ter hoorzitting te doen horen. Ook zijn curator had geen uitnodiging in zijn bezit.

Tot de gedingstukken behoort een afschrift van een aan appellant gerichte uitnodiging van 10 mei 2004 voor een hoorzitting op 3 juni 2004. Blijkens het van deze hoorzitting opgemaakte verslag is appellant daar, zonder kennisgeving, niet verschenen.

Vaststaat dat het schrijven van 10 mei 2004 niet aangetekend is verzonden. Nu ook anderszins niet is gebleken dat dit schrijven daadwerkelijk aan appellant is uitgereikt of verzonden, moet het er voor worden gehouden dat appellant in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist.

Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 30 juni 2004 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met de wet vernietigen.

Teneinde tot een finale beslechting van het geschil te komen zal de Raad op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bezien of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De Raad overweegt daartoe het volgende.

Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de aanvraag om bijstand terecht buiten behandeling is gesteld.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, zoals dit artikel ten tijde hier van belang luidde, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Appellant is verzocht om alle bankafschriften, zowel zakelijk als privé, over de periode vanaf november 2003 tot en met 19 maart 2004 over te leggen. Voorts is appellant verzocht duidelijkheid te verschaffen over de inboedelverzekering aan het adres [op het adres 1].

Naar het oordeel van de Raad heeft het College terecht om voormelde bankafschriften verzocht. Een compleet overzicht van het verloop van de bankrekening van appellant over de verzochte periode is noodzakelijk om te beoordelen of appellant al dan niet beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en daarmee ook voor de beoordeling van het recht op bijstand voor appellant. Gelet op het feit dat appellant een verzekering heeft afgesloten voor de inboedel in de woning [op het adres 1] alsmede dat op de bankafschriften dit adres staat vermeld, terwijl appellant bij zijn aanvraag heeft aangegeven woonachtig te zijn op een ander adres, heeft het College terecht van appellant verlangd dat hij hieromtrent duidelijkheid verschafte. Immers, voor de beantwoording van de vraag of appellant jegens het College recht heeft op bijstand, is de feitelijke woonsituatie van appellant van wezenlijke betekenis. De stelling van appellant dat hij enkel een offerte voor een inboedelverzekering heeft gevraagd, maar deze niet heeft afgesloten, kan niet worden gevolgd. Blijkens informatie van de desbetreffende verzekeraar heeft appellant immers voor het pand [op het adres 1] wel degelijk een inboedelverzekering afgesloten en voorts blijkt uit de overgelegde bankafschriften dat daarvoor premie wordt afgeschreven.

Naar het oordeel van de Raad kon appellant redelijkerwijs over de gevraagde gegevens beschikken. De curator heeft verklaard dat appellant kopieën van de gevraagde stukken had. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om deze gegevens over te leggen, ook indien ervan wordt uitgegaan dat de brieven van 12 en 19 februari 2004 hem niet hebben bereikt. Appellant is tijdens het gesprek van 5 maart 2004 en vervolgens bij brief 19 maart 2004 meegedeeld welke gegevens vóór 31 maart 2004 moesten worden ingediend. Deze termijn is naar aanleiding van een op 30 maart 2004 gehouden telefoongesprek kennelijk met een week verlengd. De Raad stelt vast dat de gevraagde gegevens niet binnen de daartoe gestelde termijn zijn overgelegd. Nu appellant niet heeft verzocht om uitstel en een nadere termijn teneinde die gegevens alsnog over te leggen, was het College naar het oordeel van de Raad bevoegd om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. Het College heeft terecht geen acht geslagen op een tweetal bankafschriften die bij het bezwaarschrift waren gevoegd. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van 16 april 2002, LJN AJ9915, brengt de aard en inhoud van een primair besluit, strekkende tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand, mee dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van die bevoegdheid gebruik te maken.

Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit van 30 juni 2004 in stand te laten.

De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke zijn begroot op € 322,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 30 juni 2004;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.

GG110107