Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6537

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
06-114 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene kon niet beschikken over de partneralimentatie gedurende een bepaalde periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/114 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 november 2005, 04/4549 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft D.K. Bos, werkzaam bij administratiekantoor DekaBos te Waal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2006. Voor appellante is verschenen de heer Bos. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het hierop gebaseerde Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) heeft het College bij besluit van 16 oktober 2002 aan appellante over de periode van 18 juni 2002 tot en met 17 december 2002 bijstand toegekend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud, in de vorm van een renteloze lening, berekend naar de norm van een alleenstaande ouder. Bij de aanvraag om bijstand heeft appellante meegedeeld dat zij weliswaar maandelijks aanspraak heeft op € 680,67 aan partneralimentatie en € 136,14 aan kinderalimentatie maar tevens dat zij deze alimentatie feitelijk niet ontvangt in verband met betalingsonmacht van haar ex-partner. Aan de toekenning van de bijstand ligt het Rapport Gevestigde Ondernemers van 9 oktober 2002 ten grondslag waarin onder meer is vermeld dat, zolang er geen alimentatie wordt ontvangen en de bedrijfsresultaten geen privé-onttrekkingen toestaan, geen verrekening van inkomsten plaatsvindt.

Bij besluit van 6 december 2002 is aan appellante nogmaals voor de duur van zes maanden bijstand verleend in de vorm van een renteloze lening over de periode van 18 december 2002 tot en met 31 januari 2003.

Bij besluit van 25 september 2003 heeft het College de bijstand over het jaar 2002 definitief vastgesteld. Daarbij is van de in totaal verleende bijstand van € 6.445,55 een bedrag van € 1.897,78 omgezet in bijstand om niet en is appellante verzocht het resterende bedrag van € 4.547,77 binnen 30 dagen terug te betalen.

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het College het door appellante tegen het besluit van 25 september 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure afgewezen. Bij zijn besluitvorming heeft het College in aanmerking genomen dat appellante op grond van het echtscheidingsconvenant van 25 april 2000 aanspraak heeft op een maandelijks bedrag aan alimentatie van €816,81 en dat bij de vaststelling van de bijstand niet van belang is dat appellante deze alimentatie feitelijk niet ontvangt. In het besluit van 5 juli 2004 is voorts vermeld dat het bedrag van de definitief vastgestelde bijstand kan worden aangepast op grond van een rechterlijke uitspraak waarbij de aanspraak van appellante op alimentatie is gewijzigd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 5 juli 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt met betrekking tot de hier voorliggende vraag of het College bij de definitieve vaststelling van de aan appellante te verlenen bijstand over de periode van 18 juni 2002 tot en met 31 december 2002 terecht een bedrag van € 816,81 per maand in mindering heeft gebracht op de voor haar toepasselijke norm tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Abw heeft, indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, deze bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. Ingevolge het tweede artikellid wordt, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voorzover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie.

Ingevolge artikel 42 van de Abw worden tot de middelen, waarmee bij de bijstandsverlening rekening wordt gehouden, gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Op grond van artikel 47, eerste lid en onder a, van de Abw wordt alimentatie aangemerkt als inkomen.

Uit de door appellante tijdens de beroepsprocedure overgelegde beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 juni 2004 leidt de Raad, voor zover hier van belang, af dat de ex-partner van appellante tot 1 december 2003 de verschuldigde kinderalimentatie volledig heeft betaald, dat hij over het jaar 2002 achterstand heeft opgelopen in de betaling van de partneralimentatie en dat de achterstand in de betalingen per 1 december 2003 wordt bepaald op hetgeen in feite is betaald. Voorts maakt de Raad uit de brief van de advocaat van de ex-partner van 6 augustus 2003 op dat tot en met juni 2002 partneralimentatie is betaald.

Gelet hierop oordeelt de Raad dat niet staande kan worden gehouden dat appellante over de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2002 redelijkerwijs heeft kunnen beschikken over de door het College in aanmerking genomen partneralimentatie. Nu uit de stukken is af te leiden dat appellante zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat zij niet die alimentatie heeft ontvangen, waarop zij in beginsel aanspraak had - welke omstandigheid onder meer de reden vormde om bijstand aan te vragen - , is de Raad van oordeel dat het College daarmee rekening had dienen te houden bij de definitieve vaststelling van bijstand.

Het voorgaande betekent dat het besluit van 5 juli 2004 op een ondeugdelijke motivering berust nu het College bij de definitieve vaststelling van de te verlenen bijstand over de periode in geding ten onrechte de partneralimentatie als in aanmerking te nemen middelen heeft gekwalificeerd. Ten gevolge hiervan is de aan appellante te verlenen bijstand om niet op een onjuist, dat wil zeggen te laag, bedrag vastgesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 5 juli 2004 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij eveneens opnieuw beslist moet worden op het verzoek om vergoeding van de in de bezwaarprocedure gemaakte kosten.

Mede met het oog op het te nemen nieuwe besluit op bezwaar overweegt de Raad het nog volgende.

In hoger beroep heeft appellante de in bezwaar en beroep aangevoerde grond herhaald dat het College met het gestelde in het rapport van 9 oktober 2002, dat geen verrekening van de alimentatie plaatsvindt zolang deze niet wordt ontvangen, in feite een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan dat bij de definitieve vaststelling van de bijstand over het jaar 2002 verrekening van alimentatie niet aan de orde is. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat dit beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. In dat kader wijst de Raad op het gegeven dat het hiervoor genoemde rapport ten grondslag ligt aan het besluit van 16 oktober 2002 en in die zin strekt tot een voorlopige vaststelling van de aan appellante te verlenen bijstand. Dit wordt nogmaals bevestigd met de brief van 14 oktober 2002, waarnaar de rechtbank in de aangevallen uitspraak eveneens verwijst, waaruit is op te maken dat de bijstandsverlening een voorlopig karakter heeft en dat appellante geacht wordt van eventuele inkomsten uit alimentatie melding te maken. Het gestelde in voornoemd rapport staat dan ook niet in de weg aan het in aanmerking nemen van de daadwerkelijk ontvangen alimentatie bij de definitieve vaststelling van de aan appellante te verlenen bijstand.

Met betrekking tot het verzoek van appellante tot vergoeding van de door haar als gevolg van de lange duur van de procedure geleden immateriële schade stelt de Raad vast dat vanaf de datum van indiening van het bezwaarschrift, 25 oktober 2003, tot aan de datum van deze uitspraak ruim 3 jaar zijn verstreken. De Raad is van oordeel dat daarmee de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn niet is overschreden. Dit betekent dat het verzoek om schadevergoeding niet kan worden ingewilligd.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 juli 2004;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als grffier, uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2007.

(get.) C. van Viegen.

(get.) A.C. Palmboom.

GG110107