Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6507

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
18-01-2007
Zaaknummer
06-1777 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering werknemer. Werknemer start bedrijfje. Werkgever verzoekt heronderzoek, aangemerkt als bezwaar. Termijnoverschrijding. Motivering. Equality of arms?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1777 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 februari 2006, nr. 05 3921 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Aan het geding in hoger beroep heeft tevens als partij deelgenomen: [naam werknemer], wonende te [woonplaats] (hierna: werknemer).

Datum uitspraak: 12 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De werknemer heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven en daarbij stukken overgelegd.

Appellante heeft hierop gereageerd bij schrijven van 31 augustus 2006.

De werknemer heeft bij brief van 3 september 2006 nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Voor appellante is verschenen [R. H.], algemeen directeur van appellante, bijgestaan door mr. M. Nieuwenhuijs, werkzaam bij ContactUs Legal juridisch adviseurs te Hoorn. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. C. Vork. De werknemer is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De werknemer was in het genot van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordelingsoperatie heeft het Uwv, na medisch en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 6 mei 2005 bepaald dat de uitkering van de werknemer ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft een kopie van dit besluit aan appellante toegezonden. Appellante had geen aanleiding om bezwaar te maken; zij wist niet beter dan dat de werknemer volledig arbeidsongeschikt was. Begin juli 2005 zag de directeur van appellante in de Politiewijzer 2005 een advertentie waarin de werknemer onder de naam Klussenbedrijf [naam klussenbedrijf] zijn diensten aanbood voor allerlei klussen in en rond het huis. Op 5 juli 2005 schreef hij aan de afdeling bezwaar en beroep van het Uwv:

"Naar aanleiding van uw schrijven zie bijgesloten kopieƫn wil ik u erop attenderen dat voormalig werknemer de heer

[naam werknemer] volgens mij minder arbeidsongeschikt is dan u denkt. Onlangs ontvingen wij een bijlage van de gemeente Purmerend met daarin een wel zeer opvallende advertentie, zie kopie. Aangezien wij verantwoordelijk zijn en ook nog eens financiƫle verplichtingen aan u hebben omtrent deze meneer verbaast het mij ten zeerste dat u hiervan niet op de hoogte bent. De premies die door ons zijn betaald verwachten wij van u retour."

Het Uwv heeft deze brief in behandeling genomen als bezwaarschrift tegen het besluit van 6 mei 2005 en dit bezwaar bij beslissing op bezwaar van 19 juli 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verontschuldigbare termijnoverschrijding.

De rechtbank heeft het beroep van appellante bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het door appellante aangevoerde argument dat zij eerst na de bezwaartermijn op de hoogte raakte van de werkzaamheden van werknemer geen grond oplevert om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, maar dat het appellante vrijstaat een heronderzoek te vragen. De stelling van appellante dat het Uwv haar op de hoogte had moeten stellen van de zelfstandige werkzaamheden van werknemer gaat volgens de rechtbank niet op, aangezien haar geen (wettelijke) bepaling bekend is die het Uwv daartoe zou verplichten. Van strijd met artikel 6 EVRM, in het bijzonder met het beginsel van 'equality of arms' is derhalve geen sprake, aldus de rechtbank.

De Raad overweegt het volgende.

Het valt te betreuren dat het Uwv in het besluit van 6 mei 2005 niet heeft verwezen naar het arbeidskundige rapport dat (mede) aan dat besluit ten grondslag lag. Dan zou het appellante meteen duidelijk zijn geweest dat het Uwv ervan op de hoogte was dat de werknemer ging starten met een klussenbedrijfje, maar dat werd ingeschat dat die activiteit vooralsnog geen inkomsten van betekenis zou opleveren. Het valt evenzeer te betreuren dat het Uwv de indiening van het bezwaarschrift niet heeft aangegrepen om appellante uitleg te verschaffen.

Dit alles neemt echter niet weg dat het feit dat de motivering van het besluit van 6 mei 2005 een lacune bevat, op zichzelf geen grond oplevert om de termijnoverschrijding niet aan appellante tegen te werpen.

De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat appellante na lezing van de advertentie in de Politiewijzer het Uwv had kunnen vragen om een onderzoek naar de activiteiten van de werknemer als klusjesman in te stellen en vervolgens een besluit te nemen over diens aanspraak op uitkering. Als appellante het met dat besluit niet eens zou zijn geweest, had zij gebruik kunnen maken van het rechtsmiddel van bezwaar en beroep, waarbij zij de beschikking zou hebben gekregen over alle relevante stukken. Appellantes standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden wegens strijd met het beginsel van 'equality of arms' kan derhalve niet als juist worden aanvaard.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.