Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6500

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
22-01-2007
Zaaknummer
06/1381 + 06/1456 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit was niet verzonden aan gemachtigde. Verschoonbare termijnoverschrijding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1381 + 06/1456 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 januari 2006, 05-2428 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene en het Uwv.

Datum uitspraak: 9 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene, voor wie als gemachtigde optreedt mr. A.A. Bouwman, advocaat te Zaandam, en het Uwv hebben hoger beroep ingesteld.

Het Uwv en betrokkene hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Betrokkene is in persoon verschenen en het Uwv is verschenen bij gemachtigde mr. K.D. van Someren.

Vervolgens is het onderzoek ter zitting geschorst en op een nadere zitting op 28 november 2006 hervat. Betrokkene is op die zitting verschenen bij gemachtigde mr. Bouwman en het Uwv heeft, zoals tevoren was bericht, zich niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Betrokkene ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Aan betrokkene is onder dagtekening 1 juli 2004 door een arbeidsdeskundige een brief toegezonden waarin de inhoud van een eerder gesprek met die arbeidsdeskundige werd bevestigd.

In de brief is uiteengezet tot welke conclusies de arbeidsdeskundige was gekomen en welke gevolgen dat voor de uitkering ingevolge de WAO van betrokkene zou hebben, te weten een verlaging naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Aan het slot van de brief is medegedeeld dat bezwaar kon worden gemaakt na ontvangst van een beschikking die binnenkort zou worden toegezonden.

Als gemachtigde van betrokkene heeft mr. J.C. van Houtrijve, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Haarlem, tegen deze brief - door hem met "beslissing" aangeduid - bezwaar gemaakt bij het Uwv bij bezwaarschrift van 9 juli 2004, dat op 12 juli 2004 door het Uwv is ontvangen.

Bij brief van 15 juli 2004 heeft het Uwv mr. Van Houtrijve de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.

Onder dagtekening 15 juli 2004 heeft het Uwv aan betrokkene de in de brief van de arbeidsdeskundige van 1 juli 2004 in het vooruitzicht gestelde beschikking toegezonden. Een afschrift van dit besluit is niet toegezonden aan mr. Van Houtrijve, de toenmalige gemachtigde van betrokkene. Uit dit besluit blijkt dat het Uwv heeft besloten de uitkering ingevolge de WAO van betrokkene met ingang van 2 september 2004 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

Tijdens de hoorzitting met betrekking tot het bezwaar op 22 november 2004 is door mr. Van Houtrijve een verklaring ondertekend dat het bezwaarschrift van 9 juli 2004 gericht is tegen het besluit van 15 juli 2004.

Bij besluit van 18 mei 2005, verder: het bestreden besluit, is het bezwaar door het Uwv als prematuur aangemerkt en met toepassing van artikel 6:10, eerste lid onder b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ontvankelijk verklaard. Voorts is het bezwaar op de in het bestreden besluit aangegeven gronden ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard met bepaling dat de aangevallen uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Voorts heeft zij het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan betrokkene.

In de aangevallen uitspraak, waarin betrokkene "eiseres" en het Uwv " verweerder" is genoemd, is voor zover hier van belang, het navolgende overwogen:

"2.2 Eiseres heeft bij brief van 8 (lees: 9) juli 2004 bezwaar gemaakt tegen de brief van de arbeidsdeskundige van 1 juli 2004. Verweerder heeft dit bezwaar aangemerkt als zijnde ingediend tegen het besluit van 15 juli 2004.

2.3 Ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient degenen aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.

2.4 Ingevolge artikel 6:10, eerste lid, Awb blijft ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien:

a. het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

2.5 Vast staat dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift van 8 (lees: 9) juli 2004 nog geen besluit inzake de herziening van de WAO-uitkering tot stand was gekomen. Voorts kan uit de mededeling in de brief van de arbeidskundige, dat eerst een beschikking zal worden genomen en dat eiseres daartegen bezwaar kan maken, worden afgeleid dat een dergelijk besluit nog niet stand was gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet staande worden gehouden dat eiseres op dat moment redelijkerwijs kon menen dat een besluit van die strekking reeds tot stand was gekomen. Dat verweerder op de hoorzitting in bezwaar heeft toegezegd een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege te laten, doet hier niet aan af, aangezien dit niet ter vrije beschikking van partijen behoort. Nu zich geen van de in de onder a of b van artikel 6:10, eerste lid, Awb gevallen voordeed, dient het bezwaar als prematuur ingediend aangemerkt te worden. Het bezwaar is derhalve niet-ontvankelijk.

2.6 Het op de hoorzitting in bezwaar van 22 november 2004 namens eiseres gemaakte bezwaar is -nog afgezien van de vraag of het voldoet aan de in artikel 6:5 Awb gestelde vormvereisten- eveneens niet-ontvankelijk, nu het bezwaar niet binnen de in artikel 6:7 Awb gestelde bezwaartermijn van zes weken is ingediend. De eerder genoemde toezegging van verweerder kan niet worden aangemerkt als een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder eiseres reeds bij het besluit van 15 juli 2004 op correcte wijze heeft gewezen op de mogelijkheid om daartegen bezwaar te maken en dat eiseres zich vanaf het moment van indiening van het bezwaar heeft laten bijstaan door een gemachtigde die beroepsmatig rechtshulp verleent. Van een gemachtigde als

rechtshulpverlener mag immers worden verwacht dat hij bekend is met de wijze waarop en wanneer (tijdig) bezwaar moet worden gemaakt.

2.7 Nu verweerder eiseres ten onrechte heeft ontvangen in haar bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2005, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep."

In hoger beroep hebben het Uwv en betrokkene betoogd dat de rechtbank ten onrechte 6:10, eerste lid, van de Awb hier niet van toepassing heeft geacht.

Voorts heeft mr. Bouwman namens betrokkene gewezen op de gewekte verwarring, nu het Uwv het besluit van 15 juli 2004 uitsluitend aan betrokkene en niet aan de gemachtigde mr. Van Houtrijve heeft toegezonden.

De Raad oordeelt als volgt.

De Raad is van oordeel dat de brief van 1 juli 2004 van de arbeidsdeskundige zowel naar vorm als inhoud niet is gericht op enig rechtsgevolg. Deze brief kan derhalve niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt.

Voorts kan de Raad zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot artikel 6:10, eerste lid van de Awb.

Die overwegingen van de rechtbank zijn in lijn met de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot artikel 6:10 van de Awb. Die jurisprudentie is nog recentelijk weergegeven in de uitspraak van de Raad van 10 oktober 2006, 06/2657 WAO,

LJN AZ0153.

Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat zich wel een geval van verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb voordoet met betrekking tot het eerst op 22 november 2004, en dus te laat, gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2004.

Nu het Uwv het besluit op 15 juli 2004 uitsluitend aan betrokkene heeft toegezonden, heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad wel degelijk verwarring geschapen.

Het Uwv was immers in elk geval vanaf 12 juli 2004, de datum van ontvangst van het bezwaarschrift van 9 juli 2004, ervan op de hoogte dat betrokkene mr. Van Houtrijve had aangewezen om haar te vertegenwoordigen ter behartiging van haar belangen met betrekking tot de onderhavige herziening van haar uitkering ingevolge de WAO.

Het onderhavige besluit had daarom niet alleen aan betrokkene maar ook aan mr. Van Houtrijve als haar gemachtigde, bedoeld in artikel 2:1 van de Awb, moeten worden toegezonden.

Nu dit niet is gebeurd acht de Raad het aannemelijk dat hierdoor een situatie is ontstaan waarin enerzijds betrokkene redelijkerwijs kon en mocht menen dat mr. Van Houtrijve van het bestaan van het besluit van 15 juli 2004 op de hoogte was en namens haar het nodige zou ondernemen, terwijl anderzijds mr. Van Houtrijve verschoonbaar niet op de hoogte was van het bestaan van dat besluit tot hij daarop werd gewezen tijdens de hoorzitting.

Anders dan de rechtbank is de Raad derhalve van oordeel dat het Uwv het bezwaar terecht, zij het op een onjuiste grond, ontvankelijk heeft geacht.

De aangevallen uitspraak kan daarom niet in stand blijven.

Aangezien het geding naar 's Raads oordeel nadere behandeling door de rechtbank behoeft, acht de Raad het gewenst de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terug te wijzen naar de rechtbank Haarlem. Die terugwijzing is ook door mr. Bouwman bepleit.

Nu derhalve terecht hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank maar de zaak nog niet inhoudelijk is behandeld en er eerst naar aanleiding van die behandeling beoordeeld kan worden in hoeverre er gronden zijn voor een proceskostenveroordeling, ziet de Raad thans slechts aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. Ook zal slechts het door betrokkene gestorte griffierecht in hoger beroep vergoed dienen te worden.

De Raad begroot de proceskosten op € 644,- voor verleende rechtsbijstand en op € 7,- aan reiskosten voor betrokkene om de zitting van de Raad van 29 augustus 2006 bij te wonen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Haarlem;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 651,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.