Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
18-01-2007
Zaaknummer
05-1587 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Ontoereikende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1587 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 februari 2005, 04/2614 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.H. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. E. van den Boogaard, kantoorgenoot van mr. Klijnstra.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was werkzaam als medewerkster thuiszorg gedurende 30 uur per week. Op 16 augustus 1999 heeft zij zich ziek gemeld met klachten van psychische en lichamelijke aard. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek is zij geschikt geacht werkzaamheden te verrichten binnen de grenzen van haar belastbaarheid. Nadat de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat op basis van die belastbaarheid onvoldoende functies geduid konden worden, heeft het Uwv haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij een herbeoordeling op 27 januari 2003 is de belastbaarheid van appellante omschreven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aan de hand daarvan heeft de arbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd waarmee zij een zodanig inkomen kon verdienen dat sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%. Daarop is de WAO-uitkering met ingang van 24 juni 2003 ingetrokken. Bij besluit van 19 januari 2004 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen die verlaging ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep gronden van procedurele en inhoudelijke aard aangevoerd en tevens twee rapporten van de orthopedagoog I. Wirjosemito, gedateerd 17 augustus 2005 en 28 juni 2006, en een verklaring van C. Ruijer overgelegd.

De Raad stelt een discrepantie vast tussen de rapportage van de verzekeringsarts M. van Berckel Smit-Ruys, die appellante op 27 juni 2000 heeft onderzocht, en de beoordeling door de arts T. Counts, die appellante op 27 januari 2003 op het spreekuur heeft gezien. Van Berckel Smit-Ruys constateerde een lage intelligentie en begeleidingsbehoeftigheid op diverse niveaus en achtte appellante slechts in staat onder begeleiding te werken, eventueel in WSW-verband. Naast een aantal lichamelijke beperkingen werden psychische beperkingen aangenomen, namelijk werken onder tijdsdruk niet mogelijk, aangewezen op goed gestructureerd werk met duidelijke instructie, geen eindverantwoordelijkheid, geen intensieve zorgcontacten. Uit het rapport blijkt voorts dat appellante toen begeleiding had van een werkbegeleider en een maatschappelijk werkster van de SPD, dat zij een begeleidkamerwonen-project had doorgemaakt, dat de STIB haar geldzaken regelde, dat haar moeder en zus haar veel begeleidden en dat zij naar het oordeel van de verzekeringsarts zonder deze hulp van familie en hulpverleningsinstanties niet zou kunnen functioneren. Counts heeft weliswaar geconstateerd dat appellante veel steun had, met name ten aanzien van financiën en administratie en dergelijke, maar heeft een begeleidingsbehoefte in het werk niet als beperking gesteld. In de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn naast lichamelijke beperkingen diverse beperkingen van psychische aard aangenomen, met name op concentreren van de aandacht, doelmatig handelen, structuur in het werk, vaste, bekende werkwijzen, voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Voorts is zij beperkt geacht ten aanzien van lezen en schrijven, emotionele problemen van anderen hanteren, eigen gevoelens uiten, omgaan met conflicten, samenwerken, contact met klanten, patiënten, hulpbehoevenden, zo nodig kunnen terugvallen op collega’s of leidinggevenden en geen leidinggevende aspecten in het werk.

De bezwaarverzekeringsarts was van mening dat appellante door een mogelijk licht verstandelijke handicap niet in staat was om bepaalde aspecten in regulier werk te doen, maar achtte een volledig beschermende werkomgeving en ongeschiktheid voor elk regulier werk niet te onderbouwen. De FML wordt volgens de bezwaarverzekeringsarts voldoende gedragen door alle aanwezige medisch objectiveerbare gegevens.

Appellante was inmiddels sedert 1 februari 2001 gedurende 20 uur per week werkzaam als medewerkster interne dienst bij de [naam werkgever]n (thans: [naam werkgever]) waar zij licht huishoudelijk en administratief werk verrichtte. Blijkens een verklaring van haar leidinggevende H. [R.], manager bedrijfsvoering, kon zij haar werk goed aan, mits zij niet te lang en niet met teveel zaken tegelijk belast werd. Dit is opgevangen door de huismeester haar een goede begeleiding te laten geven en door haar een zorgconsulent toe te wijzen. Haar draaglast achtte hij beperkt tot 20 uur per week, verdeeld over

5 dagen. De voormalige zorgconsulent van appellante H. Aarsman heeft, over de periode van 1999 tot 2001, verklaard dat appellante licht verstandelijk gehandicapt en bijzonder kwetsbaar was, waardoor zij steeds weer in het normale werkcircuit mislukte. De parttime baan bij de SPD, waar zij op haar eigen tempo kon werken, achtte de zorgconsulent bijzonder geschikt voor haar. De huismeester/begeleider van appellante bij MEE, C. Ruijer, heeft verklaard dat appellante gauw afgeleid was bij meer dan één opdracht, zich moeilijk kon concentreren, snel in paniek raakte als er gepresteerd moest worden en constant begeleiding nodig had. Na 3 of 4 uur arbeid was zij op en bij tempodruk ging alles verkeerd. In het rapport van 28 juni 2006, mede gebaseerd op informatie van Ruijer, concludeerde de orthopedagoog Wirjosemito dat appellante een werksetting nodig had met een korte lijn naar haar werkbegeleider en dat gezien het emotionele niveau en beperkte draaglast een 40-urige werkweek en productiewerk een te zware belasting voor haar zou zijn. In het rapport van 17 augustus 2005 van deze orthopedagoog van een bij appellante afgenomen intelligentietest is sprake van een zwak begaafd(/moeilijk lerend) niveau. Haar tempo was normaal tot rustig (traag). De concentratie en aandacht was conform het zwakbegaafde niveau.

De Raad overweegt dat uit het rapport van eerstgenoemde verzekeringsarts naar voren komt dat bij appellante, naast lichamelijke klachten en psychische klachten ten gevolge van surmenage, sprake is van een verstandelijke handicap die als gebrek in de zin van de WAO is te beschouwen en die haar belemmert bij het verrichten van arbeid. Enkele van de door die verzekeringsarts aangenomen beperkingen, zoals de noodzaak van begeleiding en van werken zonder tijdsdruk, vloeien voort uit die handicap. Dit beeld wordt bevestigd in de hierboven aangehaalde rapporten en verklaringen. De Raad is van oordeel dat de artsen van het Uwv bij de hier in geding zijnde beoordeling onvoldoende hebben gemotiveerd waarom zij de beperkingen als gevolg van die handicap lichter hebben ingeschat en dus de belastbaarheid van appellante hoger hebben ingeschat dan de eerstgenoemde verzekeringsarts. Gelet op het rapport van die verzekeringsarts en genoemde rapporten en verklaringen is de Raad er niet van overtuigd dat het Uwv de belastbaarheid van appellante en daarmee haar vermogen om zich zelfstandig te handhaven in reguliere arbeid, zoals de haar voorgehouden functies, juist heeft ingeschat en dat voldoende rekening is gehouden met de weerslag van de verstandelijke handicap van appellante op haar functioneren in arbeid. Dit geldt ook voor de toestand op de datum hier in geding. De onderbouwde stelling van appellante dat zij bij de SPD werkzaam is in een beschermde werkomgeving en dat zij met die arbeid voor 20 uur per week maximaal belast is, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende door het Uwv weerlegd. Met betrekking tot de aan de schatting ten grondslag gelegde functies merkt de Raad, gezien het hiervoor overwogene, op ernstig te twijfelen aan de geschiktheid van functies zonder specifieke begeleiding en met, bijvoorbeeld, een bijzondere belasting op handelingstempo of deadlines/productiepieken.

De Raad concludeert dat het bestreden besluit berust op een ontoereikende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet hierop zal de Raad de overige beroepsgronden onbesproken laten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.288,-.

Appellante heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht het Uwv te veroordelen in de schade aan de kant van appellante.

Dienaangaande is de Raad van oordeel dat dit verzoek thans niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat de Raad, gezien het vorenstaande, onvoldoende inzicht heeft in de vraag of er schade wordt geleden en zo ja, welke omvang deze schade heeft. Wel zal het Uwv indien het een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen, bij de voorbereiding van dat besluit tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden. Indien het Uwv mocht besluiten af te zien van een nieuw besluit op bezwaar, zal het ter zake een zelfstandig besluit dienen te nemen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,-;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het griffierecht van € 134,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.