Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
18-01-2007
Zaaknummer
04-5609 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5609 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 augustus 2004, 04/544 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft de Raad nog een stuk doen toekomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarin verwezen wordt naar een bijgevoegde rapportage van een bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2006, waar appellant in persoon is verschenen en waar het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, laatstelijk werkzaam als bedrijfshoofd sociale werkplaats voor thuis- en daklozen, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet bij brief van 27 maart 2003 met terugwerkende kracht arbeidsongeschikt gemeld als gevolg van een depressie en een hypothyreoïdie.

De verzekeringsarts H.P.M. Kessener heeft op basis van eigen onderzoek en na raadpleging van de behandelend huisarts J.P.L. Piek en internist A.S.M. Dofferhoff aannemelijk geacht dat de hypothyreoïdie en de hiermee gepaard gaande klachten bij appellant al langer aan de orde waren voordat de diagnose eind 1999 werd vastgesteld en dat appellant ten gevolge hiervan beperkingen ondervond in zijn persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts heeft de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 1 juli 1998 en oordeelde voorts dat appellant per 30 juni 1999 niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden. Vanaf, aldus Kessener, min of meer arbitrair in ieder geval 1 mei 2003 beschikte appellant echter wel weer over duurzaam benutbare mogelijkheden en is hij, naar het oordeel van de verzekeringsarts, geschikt te achten om zijn eigen werk als bedrijfshoofd sociale werkplaats voor thuis- en daklozen te verrichten. De verzekeringsarts heeft in dit verband overwogen dat de medicatie voor de hypothyreoïdie vanaf augustus 2001 goed was ingesteld en dat appellant, die eind 2002 naar de Riagg verwezen is vanwege depressieve klachten, ten tijde van het spreekuurcontact van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in mei 2003 niet meer onder behandeling stond.

Het Uwv heeft appellant bij besluit van 22 juli 2003 - kort gezegd - medegedeeld dat appellant vanaf 30 juni 1999 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht voor de WAO, maar dat hem vanwege de op 27 maart 2003 ontvangen WAO-aanvraag eerst met ingang van 27 maart 2002 een WAO-uitkering wordt toegekend.

Bij een ander besluit van gelijkluidende datum heeft het Uwv appellant medegedeeld dat de aan hem toegekende uitkering ingevolge de WAO vanaf 1 mei 2003 wordt ingetrokken omdat hij niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht voor de WAO nu er geen sprake (meer) is van rechtstreeks en medisch objectief vaststelbare gevolgen van ziekte of gebrek.

Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat hij zich nog niet in staat acht arbeid te verrichten. Appellant voert hiertoe aan dat hij nog aanhoudende klachten van vermoeidheid, rusteloosheid en lusteloosheid heeft als reactie op de ingrijpende gebeurtenissen die hij (mede ten gevolge van zijn ziekte) heeft meegemaakt en de lastig te reguleren juiste medicatiedosis voor de schildklieraandoening.

De bezwaarverzekeringsarts oordeelde dat geredeneerd vanuit een gesubstitueerde hypothyreoïdie en een herstelde depressie er geen rechtstreeks en medisch objectiveerbare gevolgen voor de arbeidsmogelijkheden zijn aan te nemen. De door appellant ervaren reactieve klachten op de door hem als minder gunstig ervaren omstandigheden en life-events vallen binnen een normale stressreactie en zijn niet aan te merken als een rechtstreeks gevolg van ziekte. Evenmin kunnen hieruit relevante beperkingen voor arbeid afgeleid worden. Bij besluit op bezwaar van 10 februari 2004, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv zijn primaire besluit van 22 juli 2003 gehandhaafd, waarbij de aan appellant toegekende WAO-uitkering is ingetrokken.

Dit standpunt is door de rechtbank onderschreven.

Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar een brochure over schildklierziekten, de juistheid van de uitspraak van de rechtbank betwist. Appellant stelt nog dagelijks psychische gevolgen van de schildklierziekte te ondervinden en van de huisarts het advies gekregen te hebben zich nog niet in het arbeidsproces te begeven. Appellant acht het onbegrijpelijk dat aan het advies van de verzekeringsarts meer gewicht wordt toegekend dan aan dat van zijn huisarts.

Het Uwv heeft in verweer aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts zich bij zijn beoordeling heeft laten steunen door overleg met zowel de internist als de huisarts en dat het hoger beroepschrift hem geen aanleiding geeft zijn standpunt te herzien.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv de aan appellant toegekende WAO-uitkering terecht met ingang van 1 mei 2003 heeft ingetrokken omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt is voor de WAO nu er bij appellant geen sprake meer was van rechtstreeks en medisch objectief vaststelbare gevolgen van ziekte of gebrek.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De Raad overweegt hiertoe dat de verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en na raadpleging van de behandelende huisarts Piek en internist Dofferhoff tot het oordeel gekomen is dat appellant tengevolge van de hypothyreoïdie, de hiermee gepaard gaande klachten, en de sedert 2002 aanwezige depressieve klachten beperkingen ondervond in zijn persoonlijk en sociaal functioneren, maar dat sedert 1 mei 2003 geen rechtstreeks en medisch objectiveerbare gevolgen voor de arbeidsmogelijkheden zijn aan te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de primaire verzekeringsarts in zijn oordeel gevolgd.

Hetgeen appellant (in hoger beroep) heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de juistheid van dit oordeel. Uit de op 20 juni 2003 gedateerde brief van de behandelend internist Dofferhoff blijkt dat er bij de laatste controle in 2001 een adequate substitutie van de hypothyreoïdie bestond en dat appellant toen geen leef- en/of werkadviezen zijn meegegeven. Daarnaast blijkt uit de verklaring van appellants huisarts van 6 juni 2003 dat appellant in de laatste maanden in passiviteit en cognitie was vooruitgegaan. Deze constatering is in overeenstemming met het door appellant tijdens het primair verzekeringsgeneeskundig onderzoek geschetste dagverhaal waaruit blijkt dat appellant persoonlijk goed functioneert en hij diverse sociale activiteiten onderneemt. Tijdens het verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleek voorts dat de behandeling bij de Riagg sinds eind 2002 ten tijde van het spreekuur van de verzekeringsarts reeds was beëindigd en dat de verzekeringsarts ten aanzien van de psyche geen beperkingen heeft kunnen vaststellen die zijn aan te merken als een rechtstreeks en medisch objectiveerbaar gevolg van ziekte. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat naar het oordeel van de Raad voldoende vast dat appellant per 1 mei 2003 weer geschikt was voor het verrichtten van zijn eigen arbeid. De reactieve klachten van appellant op de life-events zijn, anders dan appellant veronderstelt, niet aan te merkten als een rechtstreeks en medisch objectiveerbaar gevolg van ziekte. Het Uwv heeft derhalve terecht de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 1 mei 2003 ingetrokken.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door en K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.