Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6093

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
06-3814 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat appellant geen (processueel) belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3814 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 27 juni 2006, 05/2059 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.R. Beukema, adviseur sociale zekerheid van de Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006, waar appellant met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf.

II. OVERWEGINGEN

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) van 45 tot 55%.

Bij besluit van 22 juni 2004 heeft het Uwv deze uitkering voortgezet en met ingang van 22 augustus 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 oktober 2005, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 22 augustus 2004 vastgesteld op 45 tot 55%.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat, nu het Uwv te kennen heeft gegeven het besluit van 22 juni 2004 niet langer te handhaven, het belang voor appellant bij een beoordeling van dat besluit is vervallen. Appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld en daarbij aangevoerd dat hij belang heeft bij een juiste vaststelling van de mate van verlies aan verdiencapaciteit op de in geding zijnde datum.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank dat appellant geen (processueel) belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Uit vaste jurisprudentie van de Raad vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daad-werkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad heeft erkend, kan appellant met zijn bezwaar en beroep bereiken dat bijvoorbeeld in geval van een zelfde ziekte-oorzaak wordt vastgesteld dat de mate van verlies aan verdiencapaciteit van appellant zodanig was dat hij 4 weken na de in geding zijnde datum in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan die van 45 tot 55% zou moeten worden ingedeeld, hetgeen door appellant ook reeds in bezwaar was gesteld. Dit zou een verhoging van de uitkering tot gevolg kunnen hebben. De gemachtigde van het Uwv verklaarde voorts dat een dergelijke beoordeling zeker zou zijn geschied in het geval dat in de bezwaarprocedure van meer beperkingen was gebleken. Gelet hierop kan appellant het hebben van een processueel belang bij het beroep tegen het bestreden besluit niet worden ontzegd.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

Aangezien het geding naar ’s Raads oordeel nadere behandeling door de rechtbank behoeft, wijst de Raad de zaak met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet terug naar de rechtbank Zwolle.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank Zwolle;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105, - vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2007.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) J.J. Janssen.

MH