Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
06-918 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/918 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 december 2005, 05/238 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.C.M. Rouws, advocaat te Berlicum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 28 november 2006. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt sedert 1 april 2004 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Naar aanleiding van een tip dat appellante werkzaamheden zou verrichten als masseuse is door de sociale recherche van de regio 's-Hertogenbosch een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 4 augustus 2004, is naar voren gekomen dat appellante een in werking zijnde hennepkwekerij in haar woning heeft gehad, die op

25 januari 2002 is ontmanteld.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 31 augustus 2004 de bijstand van appellante over de periode van 1 december 2001 tot en met 25 januari 2002 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 1.690,81 van haar teruggevorderd. Aan dat besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting door geen mededeling te doen van het telen van hennep, als gevolg waarvan het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld.

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

31 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van appellante tegen het besluit van 21 december 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 21 december 2004 in stand zijn gebleven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 april 2005 (LJN AT4358) stelt de Raad allereerst met de rechtbank vast dat het College aan de artikelen 54 en 58 van de Wet werk en bijstand (WWB) zijn bevoegdheid ontleent om tot intrekking respectievelijk terugvordering van bijstand over te gaan en dat artikel 65 van de Algemene bijstandswet (Abw) nog van toepassing was op een situatie als in dit geding aan de orde. Het College heeft aangegeven dat het besluit op bezwaar niet anders zou hebben geluid indien gebruik zou zijn gemaakt van de in de artikelen 54 en 58 van de WWB neergelegde discretionaire bevoegdheden.

Vaststaat dat de politie omstreeks 25 januari 2004 in de woning bij appellante een professionele hennepkwekerij heeft aangetroffen en dat appellante van deze kwekerij aan het College geen mededeling heeft gedaan. Appellante heeft derhalve de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellante stelt zich evenwel op het standpunt dat het schenden van de inlichtingen-verplichting niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

De Raad kan appellante hierin niet volgen. Volgens vaste rechtspraak is het in gevallen als hier aan de orde aan appellante om feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat, indien zij wel aan haar inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, het College niet bevoegd zou zijn geweest om het recht op bijstand over de periode in geding in te trekken. De Raad is van oordeel dat appellante hierin niet is geslaagd. De Raad overweegt dienaangaande dat appellante onmiskenbaar activiteiten heeft verricht waarmee een opbrengst kan worden gerealiseerd die een waarde vertegenwoordigt in het economisch verkeer. Appellante heeft van deze werkzaamheden in het geheel geen boekhouding of anderszins een administratie bijgehouden aan de hand waarvan vastgesteld kan worden wanneer precies met de voorbereidende werkzaamheden is gestart, welke investeringen daarvoor zijn gericht, wanneer de hennepplanten voor de eerste maal zijn gezaaid alsmede of ten tijde in geding al dan niet sprake is geweest van inkomsten. De Raad tekent daarbij aan dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat bedoelde activiteiten niet voor 1 december 2002 zijn aangevangen, omdat objectiveerbare gegevens waaruit dit kan worden afgeleid, ontbreken. Uit het proces-verbaal dat is opgemaakt bij de ontmanteling van de kwekerij op 25 januari 2002 komt naar voren dat appellante slechts heeft verklaard dat de toen op haar zolder aangetroffen hennepplanten er sinds november 2001 stonden en niet aan de politie heeft willen meedelen van wie zij de planten en de benodigdheden voor de kwekerij heeft betrokken. Tegenover de sociaal rechercheurs, die haar op 6 juli 2004 hebben verhoord, heeft zij verklaard te blijven bij de door haar bij de politie afgelegde verklaring. Appellante heeft hiermee een bewijsrisico genomen waarvan het gevolg, te weten het niet kunnen vaststellen van het recht op bijstand, geheel voor haar rekening dient te blijven. De enkele stelling van appellante dat zij geen inkomsten uit de kwekerij heeft ontvangen acht de Raad in de gegeven omstandigheden dan ook ontoereikend.

Uit het voorgaande volgt dat appellante aan het College geen toereikende inlichtingen en gegevens heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, zodat het College bevoegd is om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef onder a, van de WWB de aan appellante over de periode van 1 december 2001 tot en met 25 januari 2002 verleende bijstand in te trekken. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik zou kunnen maken van deze bevoegdheid tot intrekking.

De terugvordering

Uit het voorgaande volgt dat aan appellante over de periode van 1 december 2001 tot en met 25 januari 2002 ten onrechte bijstand is verleend. Het College is op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellante terug te vorderen. Met betrekking tot de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank ter zake in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, waarmee hij zich kan verenigen. Dit betekent dat ook de Raad geen aanleiding ziet te oordelen dat het College in het geval van appellante in redelijkheid geen gebruik zou kunnen maken van deze bevoegdheid tot terugvordering van de over de gehele in geding zijnde periode gemaakte kosten van bijstand.

Slotoverwegingen

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.M. Reijnierse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 janauari 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) L.M. Reijnierse.

PR/081206