Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
06/6121 WWB-VV, 06/5652 WWB, 06/6406 WWB-VV, 06/6405 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Bewijs. Buiten behandeling laten aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6121 WWB-VV

06/5652 WWB

06/6406 WWB-VV

06/6405 WWB

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van de verzoeken om voorlopige voorziening van:

[verzoekster] (hierna: verzoekster),

in verband met de hoger beroepen van:

verzoekster

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 21 augustus 2006, 06/561 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 24 oktober 2006, 06/4881 en 06/3055, (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Verzoekster heeft tevens twee verzoeken om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2006, waar verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. J.M. Molkenboer, advocaat te Tilburg en M. Cordes, tolk. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Smout, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaken en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaken.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten.

Verzoekster ontving een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een bij het College gerezen vermoeden dat zij in haar woning zou samenwonen met haar ex-echtgenoot Y. [A.] (hierna: [A.]) is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan verzoekster verleende bijstand. In dat kader zijn observaties verricht en zijn verzoekster en getuigen gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 1 augustus 2005 en 17 november 2005.

De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 24 november 2005 de bijstand van verzoekster met ingang van 17 november 2005 te beëindigen (lees: in te trekken). Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voerde met [A.] als bedoeld in artikel 3 van de WWB, waarvan zij het College niet op de hoogte heeft gebracht.

Verzoekster heeft op 22 december 2005 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 26 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2005 ongegrond verklaard.

De aanvraag van verzoekster van 22 december 2005 heeft geleid tot het besluit van 16 maart 2006 waarbij het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling heeft gelaten. Het College heeft hieraan ten grondslag gelegd dat verzoekster heeft verzuimd om - tijdig - de gegevens met betrekking tot de financiële situatie van [A.] te verstrekken waar het College om had verzocht.

Bij besluit van 11 mei 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 maart 2006 ongegrond verklaard.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 26 januari 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het College met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam komen vast te staan dat verzoekster en [A.] vanaf 17 november 2005 hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, maar kan niet zonder nader onderzoek worden aangenomen dat tussen verzoekster en [A.] sprake is van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 mei 2006 ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning en de opdracht om met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 betreft de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 11 mei 2006.

De voorzieningenrechter van de Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het geding met het kenmerk 06/5652 WWB: de intrekking

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In gevallen dat afzonderlijke adressen worden aangehouden zal volgens vaste rechtspraak aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in

feite van samenwonen moet worden gesproken.

Anders dan de rechtbank en het College is de voorzieningenrechter van oordeel dat de in de rapporten van 1 augustus 2005 en 17 november 2005 vermelde gegevens onvoldoende basis bieden om aan te nemen dat verzoekster en [A.] ten tijde hier van belang gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van verzoekster.

De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat de observaties van de woning van

verzoekster hebben plaatsgevonden in de periode van 8 juni 2005 tot en met 23 augustus 2005 en dat [A.] bij 8 van de 16 observaties op wisselende tijdstippen in de ochtend is gesignaleerd toen hij de woning van verzoekster verliet. Noch uit deze observaties noch uit de getuigenverklaringen van buren van [A.] en de overige onderzoeksgegevens kan worden afgeleid dat [A.] ten tijde hier van belang (het merendeel van) de nachten in de woning van verzoekster doorbracht en in feite slechts haar woning

gebruikte. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat een voorgenomen huisbezoek aanvankelijk niet heeft kunnen plaatsvinden in verband met een door verzoekster gemelde vakantie in Turkije en haar opname in St. Elisabeth ziekenhuis te Tilburg. Na het ontslag van

verzoekster uit het ziekenhuis is slechts volstaan met een spreekkamergesprek met haar op 17 november 2005. Volgens een van de conclusies opgenomen in het rapport van 17 november 2005 heeft verzoekster op die datum verklaard dat [A.] niet bij haar woont maar vrij regelmatig ’s ochtends koffie komt drinken bij haar vanwege de thuiswonende zoon van haar en [A.]. Het verslag van dat gesprek ontbreekt in het dossier en [A.] is niet nader geobserveerd of gehoord.

Gelet op het voorgaande ontbeert het besluit van 26 januari 2006 een deugdelijke grondslag, hetgeen strijd oplevert met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De voorzieningenrechter zal aangevallen uitspraak 1 dan ook vernietigen voor zover aangevochten. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 24 november 2005 te herroepen nu dit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust.

Het geding met het kenmerk 06/6405 WWB: de buiten behandelingstelling van de aanvraag

Aan het besluit van 11 mei 2006 betreffende de buiten behandelingstelling van de door verzoekster ingediende aanvraag ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de bijstand van verzoekster reeds was ingetrokken en dat op 22 december 2005 opnieuw bijstand moest worden aangevraagd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet dit uitgangspunt

- achteraf bezien - voor onjuist worden gehouden. Dit betekent dat ook het besluit van 11 mei 2006 een deugdelijke grondslag ontbeert, hetgeen niet is onderkend. De voorzieningenrechter zal aangevallen uitspraak 2 derhalve vernietigen voor zover aangevochten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren en het besluit van 11 mei 2006 vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om, zelf in de zaak voorziend, het besluit van 16 maart 2006 te herroepen nu dit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust.

De kosten in de hoofdzaken

De voorzieningenrechter ziet aanleiding het College te veroordelen in de kosten van verzoekster. In het geding met het kenmerk 06/5652 WWB worden deze kosten begroot op € 644,-- in bezwaar en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De in aangevallen uitspraak 1 neergelegde veroordeling in de proceskosten in beroep en bepaling met betrekking tot vergoeding van het griffierecht blijven in stand. In het geding met het kenmerk 06/6405 WWB worden de kosten begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Daarbij wordt de zitting bij de voorzieningenrechter van de Raad toegerekend aan de hoofdzaken.

De verzoeken om voorlopige voorziening

Voor het treffen van voorlopige voorzieningen bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

Wel is aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten in verband met de verzoeken om een voorlopige voorziening, in beide gedingen begroot op € 322,--, voor verleende rechtsbijstand, en om te bepalen dat het door verzoekster in verband met beide verzoeken om voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 105,-- aan haar wordt vergoed.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaken:

Het geding met kenmerk 06/5652 WWB: de intrekking

Vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

Herroept het besluit van 24 november 2005;

Veroordeelt het College in de kosten van verzoekster in verband met de behandeling van het bezwaar en het hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Tilburg;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan verzoekster het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Het geding met kenmerk 06/6405 WWB: de buiten behandelingstelling van de aanvraag

Vernietigt aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 mei 2006;

Herroept het besluit van 16 maart 2006;

Veroordeelt het College in de kosten van verzoekster in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente Tilburg;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan verzoekster het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

op de verzoeken om voorlopige voorziening:

Wijst de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen door de gemeente Tilburg;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan verzoekster het betaalde griffierecht van in totaal € 210,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2007.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

EK2012