Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
05-5047 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aan het ontslag verbonden uitkering - die door kan lopen tot appellants pensioengerechtigde leeftijd - redelijk is te achten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5047 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 1 juli 2005, 05/541 en 05/542 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Justitie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 4 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Appellant is in persoon verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.H. Kleijne-Sanders, werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen van het ministerie van Justitie, en Y.G. Scholte, P&O-adviseur bij de [Kliniek].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was sinds 1 februari 1977 werkzaam als sociotherapeutisch medewerker bij de [Kliniek]. In februari 2000 is het functioneren van appellant in een memo aan de orde gesteld met als doel het inzetten van een verbetertraject. Op 12 april 2000 heeft appellant zich onder de aanhef “Testament” schriftelijk tot de algemeen directeur gewend en zijn beklag gedaan over de zijns inziens onjuiste ontwikkelingen in de organisatie. Hij heeft aangegeven te ervaren dat zijn kwaliteiten en ervaring niet worden geapprecieerd. Aan het slot van de brief heeft appellant zich ziek gemeld. Op 18 april 2000 heeft het team waarvan appellant deel uitmaakte gesproken over de problemen bij de samenwerking met appellant. Appellant is tot 19 maart 2001 arbeidsongeschikt geweest.

1.2. In 2000 is appellant begonnen met een opleiding tot supervisor. In november 2000 is hem meegedeeld dat een functie als supervisor bij de [Kliniek] niet in het verschiet ligt en dat het daarenboven onwaarschijnlijk is dat appellant vanwege de conflictueuze verhoudingen voor zo’n functie binnen de kliniek geschikt wordt geacht. Tevens is hem meegedeeld dat een terugkeer in zijn oude functie niet wenselijk wordt geacht vanwege de inconsistentie tussen het beeld dat appellant heeft van zijn functioneren in teamverband en het beeld dat anderen daarvan hebben. Appellant heeft in dat besluit berust en aangegeven buiten de kliniek als supervisor te willen gaan werken.

1.3. Naar aanleiding van een bericht van de bedrijfsarts dat appellant niet langer arbeids-ongeschikt was is appellant bij brief van 16 maart 2001 met ingang van 19 maart 2001 (ongevraagd) buitengewoon verlof verleend teneinde een advies over zijn inzet en loop-baanontwikkeling - waarover op dat moment gesprekken met appellant gaande waren - af te kunnen ronden. Met overneming van dit advies is appellant bij besluit van 24 april 2001 met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), aangewezen als herplaatsingskandidaat en daarbij tevens vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, een en ander ten behoeve van zijn loopbaanontwikkeling/verzelfstandigingstraject als supervisor. De herplaatsings-termijn werd vastgesteld op de periode 1 mei 2001 tot 1 november 2002.

Appellant heeft ook in deze besluiten berust.

Appellant is in de periode van 1 mei 2001 tot 1 november 2001 op eigen initiatief op basis van interim functievervulling werkzaam geweest bij de Raad voor de Kinderbescherming in Groningen.

1.4. Naar aanleiding van gesprekken over de voorwaarden waaronder appellant akkoord zou kunnen gaan met de beëindiging van zijn dienstverband is een overeenkomst tot stand gekomen tussen appellant en de minister, welke door appellant op 24 november 2001 is ondertekend. Hierin is onder meer neergelegd dat - teneinde appellant in de gelegenheid te stellen binnen de termijn van 18 maanden zijn opleiding tot supervisor af te ronden - de herplaatsingstermijn pas op 1 november 2001 zal aanvangen en dat per 1 mei 2003 ontslag zal worden verleend op grond van ongeschiktheid voor de functie. Voorts is afgesproken dat de totale kosten voor de opleiding tot supervisor door de [Kliniek] worden vergoed en dat als startkapitaal voor de vestiging als zelfstandig supervisor een bedrag beschikbaar wordt gesteld van maximaal f 4.000,-- (€ 1.812,33). Daarnaast wordt een bedrag van maximaal f 1.500,-- (€ 680,67) beschikbaar gesteld voor eventueel te volgen cursussen gericht op het opzetten van een eigen bedrijf.

1.5. Omdat er nog steeds geen reëel uitzicht was op zelfstandige vestiging is appellant in november 2002 een functie aangeboden als activiteitenbegeleider. Appellant heeft die functie, die twee schalen lager werd gehonoreerd, als zijnde beneden zijn niveau van de hand gewezen.

1.6. Bij brief van 31 maart 2003 heeft de minister aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR wegens ongeschiktheid voor de functie ontslag te verlenen. Bij besluit van 19 mei 2003 is appellant met ingang van 20 juni 2003 ontslagen. Bij besluit van 31 maart 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister, met overneming van het advies van de advies-commissie van het ministerie van Justitie, het bezwaar gegrond verklaard, echter met instandhouding van het ontslag op grond van artikel 99 van het ARAR. Daarbij is aan appellant een uitkering toegekend die qua hoogte en duur gelijk zal zijn aan het voor hem geldende totaal van uitkeringen zoals voor hem bij aanvang van het recht van toepassing zouden zijn geweest ingevolge de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad stelt evenals de rechtbank vast dat appellant heeft berust in het gegeven ontslag, omdat hij inziet dat terugkeer naar de kliniek onmogelijk is. Het geding spitst zich daarom toe op de vraag of de bij het ontslag aan appellant toegekende uitkering naar het hem op grond van artikel 99 van het ARAR minimaal toekomende niveau, met het oog op de omstandigheden redelijk is te achten. Naar vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld CRvB 6 april 2005, LJN AT4033 en TAR 2005, 87) is daarvoor bepalend of het bestuurs-orgaan een zodanig overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en het voortbestaan van de omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid dat een extra tegemoetkoming op zijn plaats is.

3.2. Uit de gedingstukken komt naar voren dat het functioneren van appellant binnen de [Kliniek] al sinds de negentiger jaren gekenmerkt wordt door steeds terug-kerende botsingen met zijn werkomgeving. Gedreven door het inzicht dat de recidive binnen de TBS direct verband houdt met de kwaliteit van de behandeling achtte appellant kwaliteitsontwikkeling een persoonlijke ethische verantwoordelijkheid. Vanuit die gevoelde verantwoordelijkheid is appellant zowel schriftelijk als mondeling aanhoudend de aandacht blijven vragen voor een naar zijn oordeel noodzakelijke cultuuromslag, een omslag van een beheerscultuur waarin naar zijn opvatting individuele ambities en overleving de sfeer van gezamenlijkheid, verantwoordelijkheid en creativiteit te niet doen, naar wat door hem wordt genoemd een lerende samenwerkingscultuur en heeft hij zijn leidinggevenden en de kliniekleiding aanhoudend indringende vragen gesteld over het waarom van bepaalde handelingen en beslissingen. Volgens appellant wordt het belang van een cultuuromslag weliswaar met de mond beleden, maar blijft verandering uit en blijft de leiding en de psychiatergroep vóór alles gericht op zijn eigen machtspositie en dus gewijd aan de beheers- of bestuurscultuur.

3.3. Nadat appellant in 1993 al wegens onwerkbaar geworden verhoudingen intern was overgeplaatst is hij in 1998 opnieuw in conflict gekomen naar aanleiding van een kritische brief van hem aan een van de kliniekpsychiaters. Volgens appellant is dit de vonk geweest voor zijn ontslag. Dit conflict is echter na een periode van situationele arbeidsongeschiktheid nog geëindigd in het schonen van zijn persoonsdossier. Zijn rede in 1999 voor het voltallige personeel vormde volgens appellant de verdere brandstof. Een brief van appellant van februari 2000 aan de algemeen directeur heeft er toe geleid dat zijn functioneren opnieuw ter discussie is gekomen, wat heeft geresulteerd in het in 1.1. genoemde verbetertraject op negen concrete punten, naar aanleiding waarvan appellant vervolgens de onder 1.1. bedoelde brief van 12 april 2000 heeft geschreven en zich heeft ziek gemeld.

3.4. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat er naar aanleiding van de brieven van appellant talloze gesprekken met hem zijn gevoerd.

3.5. Evenmin als de minister twijfelt de Raad aan de goede bedoelingen en de integriteit van appellant; evenwel laat het dossier een diepgaand verschil van inzicht zien tussen appellant en de kliniekleiding over de wijze waarop vorm gegeven moet worden aan de behandeling van de TBS-gestelden.

Dienaangaande is de Raad evenwel van oordeel dat het uiteindelijk aan de kliniekleiding is om - gehoord de daaromtrent levende opvattingen - het behandelbeleid te bepalen en dat het niet tot de taak en verantwoordelijkheid van appellant als sociotherapeutisch medewerker behoort om de discussie over dit beleid telkens weer te heropenen en de kliniekleiding ter verantwoording te roepen. Door te blijven aandringen op een omslag naar een lerende samenwerkingscultuur en door telkens wat hij daarmee in strijd acht aan de kaak te stellen, heeft appellant zijn taak en functie als sociotherapeutisch medewerker in een hiërarchische organisatie overschat en de werkverhoudingen onder druk gezet.

3.6. Ook het team waarvan appellant tot november 2000 deel uitmaakte heeft in april 2000 gesproken over de problemen bij de samenwerking met appellant. Uit een verslag van deze bijeenkomst blijkt dat de collega’s van appellant de samenwerkingsproblemen onoplosbaar achtten omdat appellant niet open staat voor kritiek c.q. verandering.

Het standpunt van appellant dat de door zijn collega’s geuite kritiek voor hem nieuw is omdat die nooit met hem is besproken en dat de collega’s zich slechts hebben laten gebruiken om materiaal te verzamelen om hem uit het team te verwijderen, heeft appellant niet verder onderbouwd. Veeleer komt uit tot de gedingstukken behorende gespreksverslagen naar voren dat appellant de samenwerkingsproblematiek herkende, dat hij wist dat deze voortkomt uit het niet appreciëren van zijn principiële benadering en dat hij voor zijn collega’s een bedreiging vormde. De enkele, door appellant overgelegde, verklaring van J. - die van 1992 tot 1998 afdelingshoofd van appellant is geweest - doet aan het beeld zoals dat blijkt uit het vorenbedoelde verslag niet af. Evenmin doet daaraan af het namens appellant overgelegde rapport van een in 1996 gehouden assessment, nu daaraan geen enkel gegeven kan worden ontleend met betrekking tot appellants rol in de samenwerkingsproblematiek.

Een en ander leidt de Raad tot het oordeel dat het ontstaan van de verstoorde verhoudingen tussen appellant en zijn leidinggevenden respectievelijk zijn collega’s in overwegende mate aan appellant moet worden toegeschreven.

3.7. Nadat appellant in 2000 had berust in verwijdering uit zijn functie en hij in gesprekken te kennen had gegeven dat hij in de toekomst als supervisor wilde gaan werken, zijn hem faciliteiten geboden om met behoud van salaris te werken aan een verzelfstandigingstraject als supervisor. Op 24 november 2001 is daartoe de in 1.4. weergegeven beëindigingsovereenkomst tussen appellant en de minister tot stand gekomen. Dat deze overeenkomst, zoals appellant thans stelt, door misleiding tot stand is gekomen is de Raad niet kunnen blijken. De Raad wijst er hierbij op dat appellant destijds werd bijgestaan door een professioneel gemachtigde en dat de door appellant ondertekende beëindigingsovereenkomst op hoofdpunten overeenstemt met het door zijn gemachtigde op 1 oktober 2001 gedane voorstel.

3.8. Ten slotte heeft de minister eind 2002, toen bleek dat er ondanks de gevolgde supervisorenopleiding en intensieve begeleiding door het Transferium geen redelijk zicht was op een levensvatbaar eigen bedrijf, aan appellant nog de functie van activiteiten-begeleider aangeboden. Appellant heeft deze functie, welke naar het oordeel van de Raad, gegeven de onmogelijkheid van terugkeer als sociotherapeutisch medewerker en bij ontbreken van andere passende vacatures, te beschouwen is als een passende functie, afgewezen.

4. Gezien al het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de minister een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde werkverhoudingen. Voorts heeft de minister zich na constatering van de verstoorde werkverhouding gedurende een periode van ruim 3 jaar ingespannen om appellant in de gelegenheid te stellen een bestaan buiten de kliniek op te bouwen. Dit een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan het ontslag verbonden uitkering - die door kan lopen tot appellants pensioengerechtigde leeftijd - redelijk is te achten. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.

Het feit dat het bestreden besluit in stand blijft brengt reeds met zich mee dat appellants verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Awb dient te worden afgewezen.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2007.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

04.01