Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
05/3606, 3608 t/m 05/3617 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht besloten tot intrekking van de flexibiliseringstoelage omdat de redenen waarvoor de toelage werd toegekend niet meer aanwezig waren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3606, 3608 t/m 05/3617 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van Bestuur van het academisch ziekenhuis Maastricht (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 maart 2005, 04/1664 e.a. (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[Betrokkene], en 10 anderen zoals vermeld op de bij de uitspraak gevoegde lijst, (hierna: betrokkenen),

en

appellant

Datum uitspraak: 4 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de gedingen tussen appellant en 171 collega’s van betrokkenen, plaatsgevonden op 19 oktober 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ch.M.E.M. Paulussen, advocaat te Maastricht, en door mr. S.W.M.J. Kuijer en mr. M. Leroi, beiden werkzaam bij het academisch ziekenhuis Maastricht (hierna: azM). Van de zijde van betrokkenen is niemand verschenen.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt uitspraak gedaan in de zaken betreffende betrokkenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak en de uitspraak van de Raad van heden in de zaken 05/3213 en 3214 AW enz. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Betrokkenen waren ten tijde hier in geding werkzaam als verpleegkundige bij de Operatiekamer van het azM. Aan betrokkenen is bij besluiten van 21 december 2001 met ingang van 1 januari 2002 voor de duur van 1 jaar een flexibiliseringstoelage toegekend van 10%, een en ander op grond van artikel 4.7.5. van de CAO academische ziekenhuizen.

1.3. Bij besluiten van 11 december 2002 heeft appellant besloten deze toelage te continueren tot de daadwerkelijke invoering van FuwaVaz, een nieuw functiewaar-deringssysteem voor de academische ziekenhuizen. Daarbij heeft appellant te kennen gegeven dat hij na de daadwerkelijke invoering van de FuwaVaz de situatie opnieuw zal bekijken en een besluit voor de toekomst zal nemen.

1.4. Bij afzonderlijke besluiten van 7 januari 2004 heeft appellant besloten de toelage met ingang van 1 januari 2004 in te trekken. Hierbij heeft hij overwogen dat uit een evaluatie met betrekking tot de flexibiliseringstoelage is gebleken dat de redenen waarvoor de toelage werd toegekend, niet meer aanwezig zijn.

1.5. Bij de bestreden besluiten van 26 augustus 2004 heeft appellant, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, de tegen deze besluiten door betrokkenen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer de door betrokkenen tegen de bestreden besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant in redelijkheid kunnen oordelen dat de redenen voor toekenning zich niet meer voordoen en daarom tot stopzetting van die toelage kunnen overgaan.

2.2. De rechtbank heeft appellant echter uitdrukkelijk niet gevolgd in zijn standpunt dat de toelage reeds kon worden ingetrokken omdat aan de schriftelijke toezegging omtrent de einddatum is voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank vereiste de stopzetting van de toelage nog een nader te concretiseren tijdstip waarop de toelage zou eindigen, zoals in de intrekkingsbesluiten van 21 november 2003 (lees: 7 januari 2004) ook is gebeurd. Het enkele feit van het bereiken van de einddatum rechtvaardigt, aldus de rechtbank, de intrekking niet. Nu appellant evenwel in de bestreden besluiten gemotiveerd heeft uiteen gezet dat de redenen voor toekenning niet meer aanwezig zijn, leidde dit niet tot een gegrondverklaring van de beroepen.

2.3. Betrokkenen hebben in de uitspraak van de rechtbank berust. Het hoger beroep van appellant is beperkt tot het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank omtrent de noodzakelijkheid van een nader besluit met betrekking tot de stopzetting van de toelage. Appellant blijft van mening dat hij de intrekkingsbesluiten ook enkel kon baseren op de vaststaande tijdelijkheid en de aan de betrokkenen bekende einddatum van de toelage.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Hij stelt vast dat, nu betrokkenen hebben berust in de aangevallen uitspraak, de intrekking van de toelage per 1 januari 2004 in rechte vaststaat. Op dit punt bestaat tussen partijen derhalve geen geschil meer. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant daarom geen (proces)belang meer bij een beslissing van de Raad met betrekking tot de door appellant aangevochten overweging van de rechtbank in die uitspraak.

4. Hieruit volgt dat appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

5. Van proceskosten welke op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, is de Raad niet gebleken.

6. In de uitspraak van de Raad van heden, 05/3213 en 3214 AW enz., is reeds bepaald dat ter zake van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, van het academisch ziekenhuis Maastricht griffierecht wordt geheven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2007.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) O.C. Boute.