Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
05-2791 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten appellante geen vast dienstverband te verlenen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2791 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 30 maart 2005, 04/634, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten (hierna: college)

Datum uitspraak: 4 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.E.M. Klostermann, advocaat te Zwolle, bijgestaan door E.T. Israël en E. van Rossum, beiden werkzaam bij de gemeente Dronten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was vanaf 1 april 2000 werkzaam als bijstandsconsulente bij het cluster Sociale Zaken van de gemeente Dronten, eerst een maand als uitzendkracht en vanaf

1 mei 2000 in tijdelijke dienst met een proeftijd van een jaar. Deze tijdelijke aanstelling is bij besluit van 9 april 2001 verlengd tot 1 mei 2002. Aan appellante werd vanwege problemen in de samenwerking met collega’s geen vaste aanstelling verleend. Het daartegen gerichte bezwaar van appellante is bij beslissing op bezwaar van 13 september 2001 ongegrond verklaard.

1.2. De rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 9 januari 2003 gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd, omdat deze beslissing op onvoldoende zorgvuldige wijze was voorbereid en genomen. Voorts heeft de rechtbank, op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, waaronder de verklaringen van twee leidinggevenden van appellante die als getuige waren gehoord, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De Raad heeft bij uitspraak van 5 maart 2004, 03/1106, het in stand laten van de rechtsgevolgen, dat door appellante was aangevochten, bevestigd.

1.3. Appellante, die zich op 26 februari 2001 heeft ziekgemeld, heeft daarna haar werk niet meer volledig hervat. Wel heeft zij tot 1 juli 2001 de begeleiding van een stagiaire voortgezet en van 1 augustus 2001 tot 1 juli 2002 gedurende één dag per week een verplichte HBO-opleiding gevolgd.

Tussen appellante en haar leidinggevenden hebben, al dan niet in het bijzijn van een arbeidsorganisatiepsycholoog, diverse gesprekken plaatsgevonden om te komen tot

re-integratie dan wel tot een andere oplossing.

1.4. Op 28 maart 2002 heeft het college het besluit genomen appellantes aanstelling, die op 1 mei 2002 eindigde, niet om te zetten in een vast dienstverband. Dat besluit is, uiteindelijk en voor zover hier van belang, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van

7 april 2004.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van 7 april 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat appellante in de verlengde proeftijd haar eigen werkzaamheden niet heeft vervat, zodat het oordeel over haar geschiktheid voor een aanstelling in vaste dienst niet op andere gegevens kon worden gefundeerd dan op de gegevens die al bekend waren.

3. De Raad onderschrijft de conclusie van de rechtbank dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten appellante per 1 mei 2002 geen vast dienstverband te verlenen en verwijst daartoe in grote lijnen naar de overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot deze conclusie is gekomen. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd voegt de Raad hier nog het volgende aan toe.

3.1. De begeleiding door appellante van een stagiaire in het tweede proeftijdjaar en de omstandigheid dat zij deelnam aan een opleiding zijn, anders dan appellante heeft betoogd, onvoldoende om te kunnen concluderen dat de problemen die op het terrein van de interne communicatie en de werksfeer waren geconstateerd in de samenwerking met collega’s niet meer bestonden. De gesprekken over de re-integratie verliepen moeizaam en lieten juist zien dat appellante in feite niet erkende waar de problemen lagen. Dat appellante niet bij machte was om weer vertrouwen te hebben in haar direct leiding-gevende, omdat zij emotioneel niet los kon komen van het feit dat haar per 1 mei 2001 geen vaste aanstelling was verleend, dient in de gegeven omstandigheden voor haar rekening te komen.

4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en K. Zeilemaker en

B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2007.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

01.12