Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
06-462 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het Uwv de omvang van de werkzaamheden van betrokkene gedurende de relevante perioden juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/462 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 november 2005, 05/1836 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brieven van 19 maart 2006, 26 maart 2006, 2 april 2006,

19 april 2006, 28 mei 2006 en 24 september 2006 aanvullende gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. R. Reumkes, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Aan appellant is met ingang van 23 oktober 2003 een WW-uitkering toegekend gebaseerd op een arbeidspatroon van gemiddeld 39.57 uur per week. Vanaf 9 december 2004 is appellant via een uitzendbureau als productiemedewerker aan de slag gegaan.

3. Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de gewerkte uren over de periode 29 november 2004 tot en met 26 december 2004 niet in mindering zijn gebracht op de WW-uitkering. De te veel betaalde uitkering wordt van appellant wegens onverschuldigde betaling teruggevorderd. Bij besluit van gelijke datum heeft het Uwv een bedrag van € 71,90 bruto teruggevorderd.

Bij besluit van 10 maart 2005 heeft het Uwv meegedeeld dat de WW-uitkering over de perioden 8 maart 2004 tot en met 14 maart 2004, 13 december 2004 tot en met 26 december 2004 en 17 januari 2005 tot en met 23 januari 2005 wordt beëindigd met het aantal uren dat appellant werkzaam is geweest. Bij besluit van gelijke datum heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 184,87 bruto van appellant teruggevorderd.

4. Bij het bestreden besluit van 20 juni 2005 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 27 januari 2005 en 10 maart 2005 ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de door appellant ingediende declaratiebriefjes van het uitzendbureau en uit de werkbriefjes blijkt dat appellant 5 uur per dag werkte en daarover loon heeft ontvangen, zodat de rechtbank uit gaat van 5 betaalde uren per werkdag. De rechtbank volgt appellant niet in de stelling dat de in de periode van 9 december 2004 tot 23 december 2004 gewerkte uren zijn gekort op de WW-uitkering over de periode 27 december 2004 tot en met 23 januari 2005. In deze periode zijn 40 uur van de in die periode gewerkte 45 uren gekort. De herziening en terugvordering over de periode 17 januari 2005 tot 23 januari 2005 zien op de resterende 5 uur. Voorts is niet in geschil dat met 3 gewerkte uren in de periode van 8 maart 2004 tot 14 maart 2004, die abusievelijk door appellant niet aan het Uwv zijn opgegeven, geen rekening is gehouden, zodat het Uwv terecht heeft herzien en teruggevorderd. Hetgeen overigens door appellant is aangevoerd kan aan dit oordeel niet afdoen. Dat het Uwv de WW-uitkering een aantal keren te laat heeft betaald, betekent niet dat het Uwv de ten onrechte betaalde WW-uitkering niet van appellant mag terugvorderen.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de gewerkte uren van december 2004 en januari 2005 in mindering zijn gebracht op de uitkering over de periode 27 december 2004 tot en met 23 januari 2005. Het geringe aantal gewerkte uren over maart 2004 is appellant vergeten aan het Uwv te melden. Ten slotte heeft appellant ten onrechte aan het Uwv gemeld dat hij vanaf 9 december 2004 5 uur per dag werkte. Daar dient naar zijn mening de koffiepauze van 15 minuten van af te gaan, zodat appellants recht ten onrechte met 13,20 uur is gekort. Voorts kenschetst appellant het terugvorderingsbedrag van € 71,-- als een boete en stelt hij dat het terugvorderingsbedrag om een voor appellant onbekende reden is verhoogd met € 98,55.

7. De Raad overweegt, ten antwoord op de in hoger beroep voorliggende vraag of de aangevallen uitspraak in stand moet worden gelaten, als volgt.

7.1. In dit geding is nog slechts de vraag aan de orde of het Uwv de omvang van de werkzaamheden van appellant gedurende de perioden 29 november 2004 tot en met 26 december 2004 en 27 december 2004 tot en met 23 januari 2005 juist heeft vastgesteld.

7.2. Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat appellant gedurende de periode

29 november 2004 tot en met 26 december 2004 gedurende 6 dagen 5 uur per dag heeft gewerkt.

Dit betekent dat appellant gedurende deze periode 30 uur heeft gewerkt, welke uren niet tijdig op de WW-uitkering in mindering zijn gebracht. Voorts heeft appellant in de periode 27 december 2004 tot en met 23 januari 2005 gedurende 9 dagen 5 uur per dag, derhalve in totaal 45 uur, werkzaamheden verricht. Deze uren zijn deels niet tijdig op de WW-uitkering in mindering gebracht.

7.3. Het Uwv heeft bij brief aan de rechtbank van 18 oktober 2005 inzicht gegeven in de wijze van vaststelling van het aantal gewerkte uren en de samenstelling van het terugvorderingsbedrag over de verschillende perioden. De Raad heeft geen reden deze berekening van het Uwv voor onjuist te houden, te meer nu deze berekening overeenkomt met de uren zoals die door appellant zelf op de werkbriefjes zijn ingevuld en eveneens blijken uit de overgelegde declaratieformulieren van het uitzendbureau over voornoemde perioden.

Hetgeen appellant terzake van de berekening van het aantal uren eerst ter zitting van de Raad nog heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden aangezien deze grieven in strijd met een goede procesorde te laat zijn aangevoerd. De Raad is niet gebleken dat appellant deze grieven niet eerder naar voren heeft kunnen brengen, zodat deze buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

Dit betekent dat de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht over de periode van 29 november 2004 tot en met 26 december 2004, 30 uur en over de periode van 27 december 2004 tot en met 23 januari 2005, 45 uur op de WW-uitkering in mindering heeft gebracht.

7.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bolt en

C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2007.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

PB/19/12