Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
06/6633 WWB V
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Niet gebleken van een voor het verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6633 WWB V

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Loenen (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 oktober 2006, 06/2729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

verzoeker.

Datum uitspraak: 2 januari 2007.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft verzoeker de aan betrokkene verleende bijstand over de periode van 1 juni 2001 tot 1 mei 2005 ingetrokken en een bedrag van € 54.625,73 aan kosten van bijstand teruggevorderd.

Bij besluit van 12 september 2005 heeft verzoeker het bezwaar tegen het besluit van

26 mei 2005 ongegrond verklaard.

Bij de uitspraak van 6 april 2006 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

12 september 2005 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en verzoeker opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat dit besluit in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel.

Verzoeker heeft in die uitspraak berust en heeft ter uitvoering daarvan op 1 juni 2006 een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft verzoeker het bezwaar tegen het besluit van

26 mei 2005 wederom ongegrond verklaard, onder handhaving van de intrekking van de bijstand over de periode van 1 juni 2001 tot 1 mei 2005 en de (hoogte van de) terugvordering van de kosten van bijstand. Verzoeker heeft daaraan toegevoegd dat het restant van de vordering zal worden kwijtgescholden indien betrokkene gedurende een periode van vijf jaar aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan, of gedurende een periode van drie jaar door de aflossing een inkomen heeft gehad ter hoogte van de toepasselijke beslagvrije voet, dan wel indien op enig moment binnen de aflossingsperiode tenminste de helft van het openstaande bedrag ineens wordt voldaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

1 juni 2006 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. Zij heeft daartoe overwogen dat verzoeker bij zijn besluit van 1 juni 2006 niet heeft beslist in overeenstemming met de uitspraak van 6 april 2006, omdat verzoeker ook bij de totstandkoming van dit besluit heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel.

Verzoeker heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak totdat in hoger beroep in de bodemprocedure is beslist.

Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Verzoeker heeft aangevoerd dat, indien in hoger beroep ten nadele van betrokkene wordt beslist, de gemeente mogelijk een financieel risico zal lopen met het jarenlang innen van de verschuldigde bedragen. Met name vanaf het moment dat er tussen partijen geen uitkeringsrelatie meer bestaat, is het naar de mening van verzoeker mogelijk dat extra inspanningen zullen moeten worden geleverd om de af te lossen bedragen te kunnen innen.

Een mogelijk financieel risico in de toekomst acht de voorzieningenrechter evenwel geen grond om te oordelen dat er van de zijde van verzoeker sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.

Ingevolge artikel 19 van de Beroepswet in samenhang met bijlage C bij de Beroepswet schort het hoger beroep, ingesteld tegen een uitspraak met betrekking tot een besluit op grond van de Algemene bijstandswet, respectievelijk de Wet werk en bijstand, de werking van die uitspraak niet op. Gelet op deze uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever, komt een dergelijk, door verzoeker beschreven risico voor rekening van het bijstandsverlenend orgaan tenzij bijzondere omstandigheden nopen om hiervan af te wijken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de voorzieningenrechter niet gebleken. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor het verzoeker zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht nu het geschil ziet op uitsluiting van het recht op bijstand gedurende een in het verleden liggend afgesloten tijdvak.

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.

Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2007.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) P.C. de Wit.

JK/21122006