Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
05-1490 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Persoonlijkheidsproblematiek. Ziekte of gebrek? Beperkingen?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1490 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 24 januari 2005, 02/2790 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.A. Soer.

II. OVERWEGINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.

Appellante heeft zich op 14 augustus 2000 ziek gemeld voor haar werk als parttime directiesecretaresse met klachten van algehele malaise en vermoeidheid. Op 30 mei 2001 is zij onderzocht door een adviserend geneeskundige. Deze constateerde, na inlichtingen te hebben ingewonnen bij de behandelend internist en neuroloog van appellante, dat appellante klachten aangaf die niet door de behandelend sector en eigen onderzoek verklaard kunnen worden. Er was wel sprake van een verminderd arbeidsvermogen, maar niet als rechtstreeks en medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Bij besluit van 11 juli 2001 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 13 augustus 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat zij niet gedurende 52 weken als gevolg van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt was geweest. Bij besluit van 6 september 2002 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juli 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

De Raad is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet de conclusies van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige, de zenuwarts-psychiater W. Eland, heeft gevolgd. Deze heeft in zijn rapport van 24 januari 2004 op basis van zijn eigen onderzoek van appellante en na kennisneming van de bevindingen van de behandelend artsen, van de verzekeringsartsen en van de door appellante geraadpleegde zenuwarts-psychiater dr. H.L.S.M. Busard, de diagnose volgens DSM IV “ongedifferentieerde somatoforme stoornis” gesteld. De vraag of appellante op 13 augustus 2001 lijdende was aan een als ziekte of gebrek aan te merken psychische of psychiatrische afwijking in haar geestelijke gezondheidstoestand heeft de deskundige Eland bevestigend beantwoord en hij heeft een omschrijving gegeven van de beperkingen tot het verrichten van werkzaamheden die uit die afwijking voortvloeien. In een reactie op het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op zijn rapport heeft de deskundige Eland zijn rapportage als volgt toegelicht:

“Ik heb in mijn rapportage trachten te verwoorden dat betrokkene lijdt aan een stoornis in het affectieve vlak, en dat daaruit beperkingen voortkomen evenals handicaps. De affectieve problematiek komt voort uit de persoonlijkheid van de betrokkene en in wisselwerking met een bijzondere levenssituatie. Betrokkene is blijkbaar niet in staat op een adequate wijze hier een oplossing voor te vinden met name ook niet in de omgang met bepaalde eisen die het leven stelt. Er is sprake van een ernstige neurotische persoonlijkheidsproblematiek, daarbij is het zeer aannemelijk te achten dat deze in haar geval heeft geleid tot het beeld dat tegenwoordig bekend staat als ongedifferentieerde somatoforme stoornis. In haar geval in de vorm van de chronische moeheid. Mijns inziens is het gewicht van deze wat ik affectieve problematiek genoemd heb overeenkomstig met die van ziekte of gebrek, er vloeien beperkingen uit voort die ik heb beschreven, en die van belang kunnen zijn inzake belastbaarheid met arbeid.”

Hier doet zich naar het oordeel van de Raad niet de situatie voor waarop de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Raad doelt en waarin sprake is van aandoeningen waarvoor geen lichamelijke of psychische oorzaken van de klachten kunnen worden aangetoond. In dit geval heeft de deskundige immers toegelicht dat er sprake is van een zodanig ernstige neurotische persoonlijkheidsproblematiek dat daaruit een stoornis is ontstaan die is te kwalificeren als ziekte of gebrek in de zin van de WAO en die leidt tot beperkingen tot het verrichten van arbeid.

De Raad overweegt dat in zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. De Raad concludeert dan ook dat appellante ten tijde in geding leed aan een ziekte of gebrek in de zin van de WAO als gevolg waarvan zij beperkingen ondervond tot het verrichten van arbeid. Het bestreden besluit berust dan ook op een onjuiste medische grondslag en kan om die reden niet in stand blijven. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op

€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Met betrekking tot de vordering van de kosten van het in eerste aanleg uitgebrachte rapport en nader commentaar van dr. Busard ad € 680,89 + € 50,- = € 730,89 is de Raad van oordeel dat deze vordering voor toewijzing in aanmerking komt. De kosten worden aldus begroot op € 1.213,89 in eerste aanleg en op € 322,- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag groot € 1.213,89, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 131,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.