Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
11-01-2007
Zaaknummer
05/1664 WAO, 05/1665 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-Schatting. Verlaging. Nader besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1664 WAO, 05/1665 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2005, 04/2592 en 05/14 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O. Labordus, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Rijswijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Labordus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft zich op 28 juli 1996 ziek gemeld voor haar werk als editor/regisseur na een auto-ongeval waarbij zij een whiplash opliep. Bij verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat zij met inachtneming van beperkingen belastbaar was met arbeid, maar dat onvoldoende functies vielen aan te wijzen die aan die beperkingen voldeden. Met ingang van 27 juli 1997 is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een medische herbeoordeling is de belastbaarheid van appellante omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 februari 2003. Met inachtneming hiervan heeft de arbeidsdeskundige een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd. Bij de berekening van het resterende verlies aan verdiencapaciteit is een fout gemaakt waardoor de uitkomst leidde tot indeling in de klasse 45 tot 55% in plaats van 65 tot 80%. Bij besluit van 17 september 2003 is de WAO-uitkering van appellante herzien en nader berekend naar 45 tot 55% met ingang van 20 oktober 2003. Bij besluit op bezwaar van 12 februari 2004 is het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Tegen het besluit op bezwaar heeft appellante beroep ingesteld. Bij brief van 23 december 2004 heeft het Uwv de rechtbank bericht dat het zijn besluit op bezwaar van

12 februari 2004 niet langer handhaaft, nu het verlies aan verdiencapaciteit niet juist is berekend. Bij besluit op bezwaar van 23 december 2004 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 20 oktober 2003 bepaald op 65 tot 80%. In het bestreden besluit is voorts overwogen dat er voor het overige geen aanleiding is om af te wijken van het primaire medische en arbeidskundige oordeel.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 12 februari 2004 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Gelet op de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank geen redenen gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 20 oktober 2003. De rechtbank heeft overwogen dat appellante geen medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar beperkingen op de datum in geding en geoordeeld dat de belasting in de geduide functies de voor appellante geldende belastbaarheid niet overschrijdt. Uit de nadere toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige heeft de rechtbank afgeleid dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is berekend op 65 tot 80%. Omdat de verslaglegging en motivering van de schatting niet voldeed aan de daaraan ingevolge de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 te stellen eisen, maar het Uwv daaraan hangende de beroepsprocedure alsnog heeft voldaan, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten, met beslissingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Het hoger beroep richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit en wijst er in dit verband op dat de bezwaarverzekeringsarts blijkens het rapport van 31 januari 2004 de diverse medische rapporten in het dossier expliciet in haar heroverweging heeft betrokken. De Raad stelt voorts vast dat appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft overgelegd die tot een ander oordeel over haar belastbaarheid zouden moeten leiden. De Raad verwijst in dit verband naar de rapporten waarin de bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd op hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht. Ook wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschrijft de Raad de aangevallen uitspraak. Met inachtneming van de nadere rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige stelt de Raad vast dat voldoende functies zijn geduid die appellante, gelet op haar belastbaarheid en haar opleiding en ervaring, zou kunnen vervullen. De mate van arbeidsongeschiktheid is terecht berekend op 65 tot 80%. Het Uwv was voorts niet gehouden gegevens over te leggen van functies die in het geheel niet bij de schatting waren betrokken en appellante ook niet waren voorgehouden.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.