Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5638

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
04-4977 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid oordeel over belastbaarheid en de daaraan gekoppelde voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4977 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juli 2004, 03/2845 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 2 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.F.M. Duynstee, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere informatie verstrekt.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 21 november 2006, waar partijen – met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante was laatstelijk werkzaam als productieleidster bij de [werkgever]. Zij is op 10 september 1997 ten gevolge van een auto-ongeval uitgevallen met whiplashklachten. Met ingang van 9 september 1998 werd appellante – op arbeidskundige gronden – ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. In het kader van de zogeheten eerstejaarsherbeoordeling werd appellante gezien door de verzekeringsarts C.S. Boss, die haar belastbaarheid op

19 september 2001 vastlegde in een fis-formulier va/ad. Boss maximeerde appellantes werkweek op 40 uur waarvan

30 productieve uren. Bij besluit van 31 juli 2002 heeft het Uwv vervolgens de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 september 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank acht voorts voldoende aangetoond dat appellante, gelet op de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies kan verrichten.

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij, gezien haar klachten, niet in staat is om 30 uur per week te werken. Zij is het oneens met het voor haar namens het Uwv opgestelde belastbaarheidspatroon.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts R.P. van Duin in zijn rapportage van 14 februari 2003 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellante, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts Boss, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde hier in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Van Duin blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de rapporten van de registerarbeidsdeskundige L.F.H.C. Dobbelaar van 12 december 2002,

28 mei 2002 en 15 februari 2001, alsmede de eindrapportage arbeidsonderzoek van 14 november 2000 van het Instituut voor Arbeidsintegratie en Scholing Heliomare. In hoger beroep is namens appellante een rapportage van 25 augustus 2003 overgelegd van de verzekeringsgeneeskundige drs. P.M.J. Swerts, waarin deze concludeert dat appellante arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk maar geschikt is voor gangbare arbeid mits er met de door hem gestelde beperkingen rekening wordt gehouden. Deze beperkingen zijn volgens Swerts een rechtstreeks gevolg van ziekte en/of gebrek en een rechtstreeks gevolg van het appellante overkomen auto-ongeluk. Bij wijze van verweer heeft namens het Uwv de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in haar rapportage van 1 november 2004 opgemerkt dat ook Swerts bij lichamelijk onderzoek, behoudens wat bewegingsbelemmeringen in de nek, bij appellante geen ernstige afwijkingen en evenmin ernstige psychopathologie heeft waargenomen. Overigens heeft appellante, zoals ook blijkt uit het verslag van Heliomare, geen slechte algemene conditie. Volgens Koek zijn haar beperkingen aan nek en schouders in het belastbaarheidspatroon door de verzekeringsarts vastgelegd en zijn er ook psychische beperkingen en een werktijdenbeperking aangenomen. Koek meent dat er ook thans nog steeds niet is gebleken dat er sprake is van dusdanige ernstige ziekten of stoornissen dan wel intensieve therapieën dat een nog verdergaande urenbeperking medisch noodzakelijk is.

De Raad heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsartsen niet op grond van adequate verzekeringsgeneeskundige motieven hebben geoordeeld dat appellantes belastbaarheid met het door de verzekeringsarts Boss vastgestelde belastbaarheidspatroon niet is overschat. Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO -voor zover in dit verband van belang - is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Hetgeen in hoger beroep namens appellante is aangevoerd biedt onvoldoende aan-knopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan appellante voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad voorts nog het volgende.

Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt dat bij de aan appellante voorgehouden functies van uitleenmedewerker, aan de hand waarvan het Uwv mede de voor appellante geldende restverdiencapaciteit heeft vastgesteld, sprake is van een toeslag voor werken in wisselende diensten. Aangezien uit de gedingstukken niet kan worden afgeleid dat appellante in de maatgevende arbeid een toeslag ontving voor afwijkende arbeidstijden, is zijdens de Raad bij brief van 25 juli 2006 aan het Uwv verzocht een en ander toe te lichten.

Het Uwv heeft hierop geantwoord dat in het - hoge - maatmanloon van appellante een bedrag voor onregelmatig werk kan worden geacht te zijn inbegrepen, aangezien het in de maatgevende arbeid van productieleidster gebruikelijk is dat men onregelmatig werkt. Het Uwv heeft ter onderbouwing van het vorenstaande verwezen naar het zich onder de gedingstukken bevindende rapport van 14 september 1999 van het adviesbureau Van Brunschot-Van Summeren-Hagoort, waaruit blijkt dat appellante aangaf lange werkdagen te maken, waarbij op draaidagen 15 uur werken per dag eerder regel dan uitzondering was en dat zij door haar werkzaamheden, ook des avonds en in de weekeinden, nauwelijks tijd had voor een privéleven en hobby’s.

De Raad heeft, gelet op het bovenstaande, geen aanknopingspunten het oordeel van het Uwv voor onjuist te houden.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.