Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
04-5860 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-Schatting. Eigen werk.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5860 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 30 augustus 2004, 03/374 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 2 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.M. Klaver, werkzaam bij Regiokantoor Midden-Nederland van AbvaKabo FNV te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klaver, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf-Lap.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant was laatstelijk werkzaam als buschauffeur te Utrecht. Hij is op 11 mei 2001 uitgevallen met post-whiplashklachten na een hem overkomen verkeersongeluk. Bij besluit van 19 juli 2002 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, op 10 mei 2002 minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 januari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft, onder verwijzing naar de vaste jurisprudentie van de Raad, geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat is voldaan aan de (minimum)eis dat bij de medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat appellant als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is zijn arbeid te verrichten.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij als gevolg van zijn klachten dusdanige beperkingen heeft dat hij zijn eigen werk niet meer kan en mag verrichten en dat de conclusie van de rechtbank niet geheel navolgbaar is. Voorts is namens appellant naar voren gebracht dat hij door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) ongeschikt is geacht voor het besturen van een bus.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt dat volgens zijn vaste rechtspraak het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip aldus dient te worden uitgelegd dat van arbeidsongeschiktheid slechts sprake is als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

Het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische gegevens, zowel die van verzekeringsgeneeskundige aard als die afkomstig van de behandelende sector, in ogenschouw nemend, constateert de Raad dat ten aanzien van de hier in geding zijnde datum bij appellant geen lichamelijke en/of psychische aandoening is vastgesteld op grond waarvan, gemeten naar de vereiste objectieve maatstaf, zou dienen te worden aangenomen dat ten aanzien van hem ten tijde in dit geding van belang sprake zou zijn van enige op ziekte of gebrek terug te voeren beperking met betrekking tot het verrichten van arbeid.

Appellant is door diverse artsen met verschillende specialismen onderzocht en daarbij zijn, naar door gedaagdes bezwaarverzekeringsarts met juistheid is geconstateerd, geen objectiveerbare afwijkingen aangetroffen.

De Raad heeft bij het vorenstaande, gelijk de rechtbank in de aangevallen uitspraak, in aanmerking genomen dat, gelet op het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische verklaringen en rapporten, geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat in appellants geval sprake zou (kunnen) zijn van het bijzondere geval waarin een toereikende objectieve vaststelling van ongeschiktheid tot werken niet geheel valt uit te sluiten om reden dat bij de – onafhankelijk – medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat ongeschiktheid tot werken voldoende aannemelijk is, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of welk gebrek precies die ongeschiktheid valt toe te schrijven.

Namens appellant zijn ter staving van zijn standpunt ook in hoger beroep geen nadere medische gegevens in geding gebracht die doen twijfelen aan de juistheid van voormeld medisch oordeel.

Met betrekking tot de grief van appellant dat hij zijn eigen werk niet meer kan doen omdat hij door het CBR ongeschikt is geacht voor het besturen van een bus oordeelt de Raad als volgt.

In de brief van 21 juli 2003 schrijft de algemeen directeur van het CBR dat appellant voor het verkrijgen van een Verklaring van geschiktheid een Eigen verklaring heeft ingediend en dat op grond van de bij het Bureau bekende gegevens, waaruit blijkt dat bij appellant sprake is van onvoldoende rijtesten, aan hem geen Verklaring van geschiktheid voor het besturen van een bus kan worden verstrekt. De Raad is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat daaruit niet van ongeschiktheid van medische aard blijkt. Desgevraagd heeft appellant ter zitting verklaard niet te weten om welke reden hij een Eigen verklaring heeft ingediend en evenmin te weten hetgeen hij daarin heeft vermeld.

De Raad merkt hierbij nog op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeids(on)geschiktheid op 10 mei 2002. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellant na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.