Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5634

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
04-5029 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-Schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5029 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 augustus 2004, 04/522 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 2 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.E.M. Messink, advocaat te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2006.

Namens appellant is verschenen mr. J.C.M. Bonnier, kantoorgenoot van mr. Messink, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van den Berkt.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 4 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 juni 2003, waarbij het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 11 augustus 2003 heeft ingetrokken op de grond dat appellant naar het oordeel van het Uwv voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet is.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is uitvoerig uiteengezet waarom de rechtbank zich met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant kan verenigen.

In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de omtrent appellant aan de Raad uitgebrachte rapportage van de zenuwarts-psychotherapeut prof. dr. P.P.G. Hodiamont van

11 februari 2002 en dat in het rapport over appellant van de psychiater J.D.J. Tilanus van 20 maart 2003, uitgebracht op verzoek van het Uwv, te weinig rekening is gehouden met de rapportage van Hodiamont. Voorts is namens appellant om een contra-expertise gevraagd.

In het verweerschrift in hoger beroep heeft het Uwv volstaan met een verwijzing naar de overwegingen in het bestreden besluit en in de aangevallen uitspraak.

De Raad oordeelt als volgt.

In hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om anders te oordelen over het bestreden besluit dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan.

De Raad overweegt dat in de rapportage van Tilanus wordt vermeld dat, daar uit overgelegde medische correspondentie naar voren komt dat in diagnostische zin werd gedacht aan een psychose/schizo-affectieve psychose, in het bijzonder daarnaar door hem onderzoek werd verricht. Tilanus geeft aan dat bij de huidige auto-anamnese echter geen aanwijzingen naar voren komen voor het bestaan van psychotische klachten of gedragingen en dat er in fenomenologische zin geen criteria zijn op basis waarvan gedacht zou kunnen worden aan een schizoïde of schizotypische persoonlijkheidsstoornis. Volgens Tilanus zijn er in klinisch opzicht geen manifestaties van een psychose, met name geen hallucinaties of wanen, in het bijzonder zijn er geen melancholische wanen (nihilistische wanen, armoedewaan, hypochondrische waan). In de psychische functies denken, handelen, affect zijn er geen voor psychose kenmerkende veranderingen, aldus Tilanus. Volgens hem kan niet worden geconcludeerd tot het bestaan van enigerlei psychose bij appellant.

De Raad neemt hierbij in aanmerking dat Tilanus zijn oordeel baseert op eigen onderzoek van appellant, op de in het dossier aanwezige op appellant betrekking hebbende stukken, alsmede op de door hem verkregen informatie van de behandelend sector.

De Raad overweegt voorts dat eerdergenoemde rapportage van Hodiamont, in tegenstelling tot die van Tilanus, betrekking heeft op de datum 21 november 1995, zijnde de datum van aanvang van appellants dienstverband en tevens van zijn verzekering ingevolge de WAO zodat daaraan voor de datum in geding slechts relatieve waarde kan worden toegekend.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2007.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Engelhart.