Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5631

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
05-1539 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengelduitkering omdat betrokkene recht heeft op loondoorbetaling door zijn werkgever.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 29
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/67 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1539 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 22 februari 2005, 04/694 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2006.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was vanaf 11 maart 2002 op oproepbasis werkzaam bij [werkgever] te [vestigingsplaats]. Hij heeft zich op 1 december 2003 ziek gemeld. Uit een overzicht van de gewerkte dagen blijkt dat appellant voordien met grote regelmaat vooral in de weekeinden als havenarbeider had gewerkt bij voormeld bedrijf. De laatste werkdag voorafgaand aan de onderhavige ziekmelding was 22 september 2003.

Bij brief van 24 december 2003 heeft het Uwv appellant in kennis gesteld van het besluit dat aan hem geen ziekengelduitkering wordt toegekend, omdat hij recht heeft op loondoorbetaling door zijn werkgever.

Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 april 2004 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was tussen appellant en voornoemde werkgever sprake van een zogenaamde voorovereenkomst, die nog niet het ontstaan van een dienstbetrekking bewerkstelligde. Op grond van deze voorovereenkomst hebben appellant en de werkgever met betrekking tot bepaalde tijdvakken afzonderlijke overeenkomsten tot het verrichten van arbeid gesloten en is telkens wanneer appellant gehoor gaf aan een oproep een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ontstaan. In aanmerking genomen dat appellant regelmatig is opgeroepen en doorgaans aan de oproepen – in ieder geval veel vaker dan drie keer – gehoor heeft gegeven, is naar het oordeel van de rechtbank conform het bepaalde in artikel 7:668a, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, welke op 1 december 2003 nog steeds van kracht was. De omstandigheid dat appellant vanaf september 2003 niet meer voor klussen was ingezet, deed hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af, nu niet is gesteld of gebleken dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd. Naar het oordeel van de rechtbank had appellant op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW bij ziekte dus in beginsel aanspraak op loon.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Zoals appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, was sprake van arbeidsovereenkomsten die telkens voor bepaalde tijd zijn aangegaan. Ingevolge artikel 7:668a, eerste lid, onder b, van het BW geldt in deze situatie de laatste arbeidsovereen- komst als aangegaan voor onbepaalde tijd, zodat - bij gebreke van een opzegging - appellant op 1 december 2003 recht had op loon als bedoeld in artikel 7:629 van het BW. Anders dan appellant heeft aangevoerd is het bepaalde in artikel 7:629, tweede lid, van het BW hier niet van toepassing, aangezien hij voor zijn werkgever niet in huiselijke of persoonlijke diensten werkzaam was.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en F. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 januari 2007.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.