Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2007:AU6863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
04-948 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juistheid medische grondslag.

Wetsverwijzingen
Ziektewet
Ziektewet 3
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2006/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/948 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 januari 2004, 03/1002 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 december 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Koser Kaya, destijds advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld, onder meezending van nadere stukken.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord en een reactie van zijn bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Namens appellant is andermaal een nader stuk ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door G.J. Samsom.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het Uwv heeft wederom een reactie van zijn bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Op verzoek van de Raad heeft de neuroloog prof. dr. E.C.H. Wolters bij rapport van

28 juli 2006 als deskundige omtrent appellant verslag uitgebracht.

Namens appellant is gereageerd naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting op 31 maart 2006.

De Raad heeft vervolgens psychiater prof. dr. G.F. Koerselman verzocht omtrent appellant te rapporteren.

Namens appellant is gereageerd op het rapport van de deskundige Wolters en zijn nadere stukken ingezonden.

Bij rapport van 11 januari 2007 heeft psychiater Koerselman aan voormeld verzoek van de Raad voldaan.

Namens appellant is onder meezending van stukken nadere informatie verstrekt en zijn de gronden van het hoger beroep andermaal aangevuld.

Namens het Uwv is hierop gereageerd met toezending van een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts.

Hernieuwd onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2007. Appellant is wederom in persoon verschenen, bijgestaan door mr. W.F.C. van Megen, kantoorgenoot van mr. Severijn, voornoemd. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is andermaal gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek weer te heropenen.

Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad nadere vragen gesteld aan de deskundige Wolters, die door deze zijn beantwoord bij schrijven van 3 augustus 2007.

Het Uwv heeft opnieuw een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts ingezonden.

Hernieuwd onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2007. Appellant is wederom in persoon verschenen, met bijstand van mr. Severijn. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is in oktober 2001 wegens hoofdpijnklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als straddlecarrier chauffeur/radioman-dek in de haven.

Bij besluit van 30 augustus 2002 is hij met ingang van 11 oktober 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Blijkens de daaraan ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige gegevens berust dat besluit op een beoordeling volgens welke appellant, gegeven de voor hem in aanmerking genomen beperkingen alsmede de in het eigen werk voorkomende belasting, niet langer geschikt is voor dat eigen werk maar nog wel in staat is tot het verrichten van andere werkzaamheden, als verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies.

Appellant heeft in bezwaar tegen voormeld besluit in het bijzonder naar voren gebracht dat hij last heeft van ernstige hoofdpijnklachten die hem belemmeren in het dagelijkse functioneren. Hij stelt niet in staat te zijn tot zelfstandig wonen. Voorts moet hij veel tijd op bed doorbrengen. Ten minste twee maal per week heeft hij migraineaanvallen. Ten gevolge hiervan, en ook nog gelet op zijn klachten van neerslachtigheid, acht appellant zich niet in staat tot het vervullen van de in aanmerking genomen functies.

De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gevonden om de primaire verzekeringsarts niet in diens conclusies te volgen.

Bij besluit van 26 februari 2003, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft, voor zover nog van belang, zich kunnen stellen achter het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op het feit dat dit oordeel mede is gebaseerd op van de behandelend neuroloog van appellant verkregen informatie. De rechtbank heeft zich ook overigens, wat betreft de arbeidskundige grondslag daarvan, met het bestreden besluit kunnen verenigen.

Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat hij gelet op zijn ernstige hoofdpijnklachten en ook zijn klachten van psychische aard, bestaande uit angst- en paniekaanvallen, niet in staat is tot het verrichten van arbeid.

De Raad heeft, naar blijkt uit rubriek I, aanleiding gevonden om appellant te doen onderzoeken door een neuroloog. De neuroloog Wolters heeft als deskundige omtrent appellant verslag uitgebracht. In zijn rapport van 28 juli 2006 heeft deze deskundige aangegeven bij oriënterend intern en uitgebreid neurologisch onderzoek geen relevante afwijkingen bij appellant te hebben kunnen vaststellen.

Ten tijde hier van belang was appellant, aldus Wolters, lijdende aan circa een- tot tweemaal per week optredende hoofdpijnaanvallen, gekenmerkt door links- of rechtszijdige bonzende hoofdpijnen met overgevoeligheid voor licht en geluid en gepaard gaande met misselijkheid, overgeven en diarree met ook tussen deze aanvallen door hoofdpijnklachten. Mogelijk ook was er sprake van een zich ontwikkelende aanpassingsstoornis met depressieve klachten en een verstoorde agressiehuishouding.

De deskundige Wolters heeft voorts aangegeven zich vanuit zijn vakgebied volledig te kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant. Tevens was appellant vanuit zijn vakgebied in staat te achten tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij de gebruikte functies.

Wel zag Wolters in verband met de psychische klachten van appellant aanleiding hem ook nog te doen onderzoeken door een deskundige psychiater.

Naar eveneens blijkt uit rubriek I heeft de Raad dit advies van Wolters opgevolgd. Blijkens zijn rapport van 11 januari 2007 heeft psychiater Koerselman bij onderzoek van appellant vastgesteld dat sprake is van een aanpassingsstoornis met gemengd depressieve en angstige stemming. Ook op de datum in geding is hiervan sprake geweest, aldus Koerselman, zij het in lichtere mate dat ten tijde van het onderzoek. De in het belastbaarheidspatroon opgenomen beperking voor conflicthantering is volgens Koerselman adequaat te achten. Voor zover de belasting van de functies door hem goed kan worden ingeschat, ziet Koerselman vanuit zijn vakgebied geen reden om ervan uit te gaan dat appellant die functies ten tijde hier van belang niet zou hebben kunnen uitoefenen.

Van de zijde van appellant is uitgebreid gereageerd op het rapport van de deskundige Wolters, onder meezending van nadere medische gegevens uit de behandelend sector. Voorts is gebleken dat appellant bij heronderzoek door de verzekeringsarts van het Uwv in januari 2007 volledig arbeidsongeschikt is geacht.

Met name deze beide laatste aspecten vormden voor de Raad aanleiding nadere vragen te stellen aan de deskundige Wolters. In zijn aanvullende rapport heeft deze deskundige aangegeven dat en waarom hij noch in de kritiek van appellant op zijn eerste rapport, noch in de nadere informatie van de behandelend artsen van appellant, noch in de nadere ontwikkelingen rond het alsnog aannemen door het Uwv van volledige arbeidsongeschiktheid bij appellant, aanleiding gelegen ziet om zijn oorspronkelijke bevindingen en conclusies bij te stellen.

De deskundige heeft daarbij aangetekend dat uit de nadere rapportage van de verzekeringsarts V.R. Evegaars en van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink naar voren komt dat de klachten van appellant sedert 2002 zijn toegenomen en dat de frequentie van zijn migraineaanvallen is opgelopen tot drie maal per week, waarin die artsen aanleiding hebben gevonden geen benutbare arbeidsmogelijkheden meer aanwezig te achten.

In vaste rechtspraak heeft de Raad blijk gegeven van de opvatting dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter geraadpleegde deskundige in beginsel, bijzondere omstandigheden daargelaten, dient te worden gevolgd. De Raad heeft geen aanknopingspunten om in het geval van appellant van deze hoofdregel af te wijken.

De Raad heeft daarbij vooreerst in aanmerking genomen dat beide deskundigen blijkens hun beider rapporten een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek hebben verricht, waarvan ook deel uitmaakte kennisname van informatie van de behandelend artsen van appellant.

Voorts zijn beide deskundigen, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd, tot een stellige en positieve beantwoording gekomen van de hun voorgelegde vragen of zij zich vanuit hun vakgebied konden verenigen met de door de verzekeringsartsen van toepassing geachte beperkingen en met de door de arbeidsdeskundige als voor appellant passende arbeidsmogelijkheden geselecteerde functies.

Daarnaast heeft de Raad laten wegen dat de deskundige Wolters na kennisname van onder meer de van de zijde van appellant geleverde kritiek op zijn rapport en van de nadere standpuntbepaling van het Uwv inzake het alsnog aannemen van volledige arbeidsongeschiktheid bij appellant vanaf januari 2007, zijn aanvankelijke bevindingen en conclusies gemotiveerd heeft gehandhaafd.

Ten slotte overweegt de Raad dat hij ook geen uitzondering op de hiervoor met betrekking tot de waarde van een deskundigenrapport geformuleerde hoofdregel gelegen ziet in de opvatting van appellant dat van een relevante toename van zijn klachten geen sprake is en dat hij dus niet eerst vanaf 2007 maar ook reeds ten tijde hier van belang als volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. Wat er verder ook zij van een latere toename van de beperkingen van appellant: doorslaggevend moet worden geacht dat naar het oordeel van de beide hiervoor genoemde deskundigen de beperkingen van appellant ten tijde in dit geding van belang juist zijn vastgesteld en dat appellant in staat was tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies.

Aldus is voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de medische grondslag van het bestreden besluit juist is te achten. In aanmerking genomen dat, naar van de zijde van appellant tijdens de procedure in hoger beroep expliciet is verklaard, (nog) uitsluitend grieven bestaan tegen het opgestelde belastbaarheidspatroon, is daarmee tevens genoegzame grondslag verkregen voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Er bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

A.T. de Kwaasteniet als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van

W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2007.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

TM