Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:BA1326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
04/6860 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering omdat betrokkene laatstelijk werkzaam was als zelfstandige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

CENTRALE RAAD VAN BEROEP

04/6860 WW

UITSPRAAK

in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. F.A.C. Klaassen, medewerker bij de Stichting Rechtsbijstand, op bij nader beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Haarlem onder nummer Awb 04 - 95 WW, op 3 november 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Klaassen, voornoemd, een nadere reactie ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 januari 2005, bij welke gelegenheid appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Klaassen voornoemd. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H. van Buren, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. MOTIVERING

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en-de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde hier van belang.

2.1. Appellant, geboren in 1952, was in het genot van een WW-uitkering.

2.2. In april 2002 heeft appellant werkzaamheden verricht voor [naam bedrijf] International Ltd.

te Cambridge (GB), (hierna: [naam bedrijf]). In verband met een aantal eisen dat door [naam bedrijf]

werd gesteld, heeft appellant die werkzaamheden verricht via [naam BV] (hierna:

Oakwood), een 'slapende' BV die hij voor die gelegenheid had geactiveerd.

2.3. Vanwege de werkzaamheden voor Oakwood en [naam bedrijf] heeft gedaagde de WW-

uitkering per 7 april 2003 beeindigd.

2.4. Op 15 juli 2003 is er een einde gekomen aan de werkzaamheden voor [naam bedrijf], in

verband waarmee appellant op 17 juli 2003 heoft verzocht om voortzetting van de WW-

uitkering.

2.5. Bij besluit van 3 September 2003 heeft gedaagde gesteld dat appellant niet in

aanmerking kan worden gebracht voor een WW-uitkering omdat hij laatstelijk werkzaam

was als zelfstandige, om welke reden hij niet langer als werknemer in de zin van de WW

beschouwd kan worden, terwijl hij de status van werknemer niet kan herkrijgen omdat hij

die werkzaamheden niet geheel en definitief heeft beeindigd.

2.6. Bij besluit van 2 december 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde de tegen het

besluit van 3 September 2003 gerichte bezwaren ongegrond verklaard. Verwezen is naar

de vaste rechtspraak van de Raad met betrekking tot de toepassing van artikel 8, tweede

lid, van de WW.

3. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven dat appellant de werkzaamheden als zelfstandige verrichtte en dat appellant niet duidelijk heeft gemaakt dat hij die werkzaamheden geheel en definitief heeft beeindigd en dat onder die omstandigheden van het herkrijgen van de hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW geen sprake kan zijn.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep allereerst het standpunt ingenomen dat hij niet als

zelfstandige werkzaam was voor [naam bedrijf]. Volgens appellant was hij verplicht zich te

richten naar de instructies van [naam bedrijf] en was er daarom sprake van een gezagsverhouding

en dus van een dienstverband, ondanks de constructie via [naam BV] Daarbij wijst hij

er op dat hij in de periode waarin hij deze werkzaamheden verrichtte steeds heeft

gesolliciteerd en dat hij ook voor de Nederlandse arbeidsmarkt beschikbaar was.

4.2. De tweede stelling van appellant komt er op neer dat met de beeindiging van de

activiteiten voor [naam bedrijf], een volledig einde kwam aan zijn werkzaamheden, hetgeen er

naar de mening van appellant toe moet leiden dat, ongeacht of hij de werkzaamheden nu

als zelfstandige of als werknemer verrichtte, hij per 15 juli 2003 voor een WW-uitkering

in aanmerking dient te worden gebracht.

4.3. Gedaagde heeft vastgehouden aan het standpunt dat appellant zijn werkzaamheden als zelfstandige heeft verricht en heeft onder meer benadrukt dat appellant met het laten uitschrijven van Oakwood uit het register van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) zou hebben voldaan aan de eis dat een volledig einde aan de werkzaamheden is gekomen. Gedaagde heeft voorts benadrukt dat appellant ook niet op een andere wijze heeft aangetoond dat er een einde aan diens werkzaamheden als zelfstandige is gekomen.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. De Raad heeft in de stukken en gelet op het verhandelde ter zitting onvoldoende

aanknopingspunten kunnen vinden om te concluderen dat appellant zijn werkzaamheden

voor [naam bedrijf] niet als zelfstandige zou hebben verricht. Daarvoor verwijst de Raad naar het

contract van Oakwood BV, dat als formele werkgever van appellant de werkzaamheden

voor [naam bedrijf] ging uitvoeren. Dat appellant die werkzaamheden vervolgens in

ondergeschiktheid en naar de aanwijzingen van [naam bedrijf] ging uitvoeren blijkt niet uit de

stukken. Daarbij speelt ook een rol dat uit niets blijkt dat [naam bedrijf], Oakwood en appellant

een arbeidsovereenkomst tot stand wensten te brengen. Appellant heeft voorts op geen

enkele wijze aangetoond dat hij persoonlijk en onder het gezag van [naam bedrijf] diende te

werken. Voorts wijst de Raad er op dat appellant nog in hoger beroep heeft gesteld dat hij

als zelfstandige werkzaam was en dat hij eerst naar aanleiding van het verweerschnft van

gedaagde een ander standpunt heeft ingenomen. Daar komt bij dat appellant eerst ter

zitting van de Raad heeft aangegeven dat de verhoudingen tussen de betrokken

rechtspersonen, een andere zou zijn dan tot dan toe uit de stukken naar voren kwam. Gelet

op het moment waarop appellant deze stelling betrekt, ziet de Raad geen aanleiding

appellant in de gelegenheid te stellen dit standpunt nog met nadere stukken te

onderbouwen.

5.2. Aangezien appellant moet worden aangemerkt als een startende zelfstandige

overweegt de Raad dat gedaagde ingevolge vaste jurisprudentie ten aanzien van het

herkrijgen van de status van werknemer in de zin van artikel 8, eerste lid, van de WW,

terecht kan verlangen dat diens werkzaamheden volledig zijn beeindigd en dat het op de

weg van appellant ligt om die beeindiging aannemelijk te maken. Anders dan gedaagde

veronderstelt, brengt dit niet zonder meer mee dat in een geval als het onderhavige,

waarbij een werknemer een 'slapende' BV heeft geactiveerd, slechts kan worden

geconcludeerd dat sprake is van een volledige beeindiging als de inschrijving van de

onderneming bij de KvK wordt doorgehaald, dan wel wanneer die rechtspersoon wordt

ontbonden. Gedaagde heeft dit in zoverre onderkend dat hangende het beroep bij de

rechtbank appellant in de gelegenheid is gesteld om naast de gegevens van de KvK onder

andere aan de hand van jaarstukken en facturen aan te tonen dat een volledig einde aan de

werkzaamheden is gekomen. Appellant heeft aan dat verzoek niet voldaan. Ook in hoger

beroep heeft appellant niet de door gedaagde gesuggereerde stukken ingebracht.

Aangezien appellant een en andermaal in de gelegenheid is gesteld om de gevraagde

gegevens te verstrekken en hij, blijkens zijn verklaring ter zitting, er ook bewust voor

heeft gekozen dat achterwege te laten, ziet de Raad geen aanleiding het onderzoek te

heropenen teneinde appellant in de gelegenheid te stellen die gegevens alsnog in het geding te brengen en zal de Raad zich voor zijn oordeel baseren op de zich thans in het dossier bevindende stukken.

5.3. In hoger beroep heeft appellant een door hemzelf opgesteld overzicht ingebracht

waaruit zou moeten blijken dat in 2003 slechts voor [naam bedrijf] werd gewerkt. Uit dat

overzicht is echter niet met voldoende zekerheid op te maken dat dat het geval is, noch

dat met het einde van het project bij [naam bedrijf] ook een volledig einde aan de werkzaam-

heden van appellant als zelfstandige is gekomen. Wat dat betreft wijst de Raad er op dat

de omzet van Oakwood, zoals door hem in hoger beroep ingebracht, niet spoort met de

eerder door appellant gedane opgave van het aantal gewerkte dagen, en dat doch het

volgens dat overzicht genoten bruto iiikomen, noch de omzet van Oakwood overeen-

komen met de bij de aanvraag om WW-uitkering gevoegde salarisspecificaties van

Oakwood. Met gedaagde komt de Raad dan ook tot het oordeel dat appellant onvoldoende

heeft aangetoond dat een volledig einde is gekomen aan zijn werkzaamheden als

zelfstandige zodat gedaagde terecht heeft kunnen besluiten de WW-uitkering per 15 juli

2003 niet voort te zetten.

5.4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel

8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist dient derhalve te worden als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen. (get.) L. Karssenberg.