Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ9952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
04-82 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op WW-uitkering tijdens vakantie? Vakantie binnen duur bedoeld in Vakantieregeling? Sollicitatieverplichting? Ziekenhuisopname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/82 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2003, 03-541 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Appellante ontving sedert 14 december 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 11 juni 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 7 augustus 2002 ingetrokken. Appellante heeft een aanvraag om een WW-uitkering gedaan, welke eerst op 5 september 2002 door haar is ondertekend. Appellante is gedurende de periode 8 juli 2002 tot en met

3 september 2002 met vakantie geweest.

1.2. Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft het Uwv het recht op WW-uitkering per

7 augustus 2002 afgewezen op de grond dat appellante met vakantie was en derhalve geen werkloosheid kon ontstaan. Aan appellante is per 4 september 2002 een WW-uitkering toegekend. Bij besluit van dezelfde datum heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat een maatregel, inhoudende een korting van 20 procent gedurende 16 weken, wordt opgelegd omdat zij in onvoldoende mate heeft gesolliciteerd.

2. Bij het bestreden besluit van 5 februari 2003 heeft het Uwv de beslissingen van

29 oktober 2002 gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge artikel 19, eerste lid, en onder k, van de WW geen recht op uitkering ontstaat tijdens vakantie. Nu uit de feitelijke gang van zaken niet anders valt te concluderen dan dat appellante op 7 augustus 2002 met vakantie was en zij deze vakantie niet op het aanvraagformulier had vermeld en bovendien dit formulier niet had ondertekend, is er gelet op de wettelijke bepalingen per 7 augustus 2002 geen recht op WW-uitkering ontstaan.

Voorts is de rechtbank terzake van de maatregel van oordeel dat appellante in ieder geval vanaf 11 juni 2002 op de hoogte was dat haar WAO-uitkering per

7 augustus 2002 werd ingetrokken. Appellante heeft over de periode 19 augustus 2002 tot en met 15 september 2002 opgegeven dat zij niet heeft gesolliciteerd, zodat appellante vanaf 4 september 2002 onvoldoende heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Het feit dat appellante in afwachting was van een operatie aan haar rechterhand houdt niet in dat zij buiten staat was enige sollicitatieactiviteit te ontplooien. Het Uwv heeft terecht een maatregel opgelegd. Van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien, is de rechtbank niet gebleken.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij, indien zij tijdig had vernomen dat een toestemming voor de vakantie door de afdeling WAO en een beëindiging van die uitkering in de vakantieperiode problemen zou opleveren voor de WW-uitkering, niet met vakantie zou zijn gegaan. Voorts heeft appellante zich terzake van de opgelegde maatregel op het standpunt gesteld dat wanneer binnen een afzienbare tijd een opname in het ziekenhuis in verband met een operatie te verwachten is, het weinig zinvol en niet eerlijk naar de werkgever toe is om te solliciteren.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ter beoordeling staat of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.2. De Raad beantwoordt deze vraag voor zover de uitspraak ziet op het recht op

WW-uitkering per 7 augustus 2002 ontkennend. Daartoe overweegt hij -onder verwijzing naar zijn uitspraak van 5 oktober 2005 (LJN: AU3986, RSV 2006/12)- dat mede gelet op de wetsgeschiedenis de in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW neergelegde uitsluitingsgrond zich niet voordoet indien vakantie wordt genoten voor zover deze vakantie blijft binnen de duur van de periode welke op grond van artikel 19, vijfde lid, aanhef en onder b, van de WW bij de Vakantieregeling 1992 is vastgesteld. Uit de systematiek van de toepasselijke bepalingen vloeit voort dat in het geval de werknemer vakantie geniet welke blijft binnen die duur, die werknemer niet op de enkele grond dat hij vakantie geniet kan worden tegengeworpen dat hij niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en dat hij om deze reden niet werkloos kan worden geacht met als gevolg dat hij geen recht heeft op WW-uitkering. Dat appellante de vakantie niet tevoren bij de afdeling WW heeft aangevraagd doet, anders dan het Uwv ter zitting van de Raad heeft gesteld, aan het vorenstaande niet af.

5.3. Dit betekent dat het Uwv appellante ten onrechte per 7 augustus 2002 niet in aanmerking heeft gebracht voor het recht op WW-uitkering. Het Uwv zal alsnog dienen vast te stellen of en hoelang appellante recht heeft op WW-uitkering tijdens vakantie.

5.4. De Raad is van oordeel dat de rechtbank in haar oordeel terzake van de opgelegde maatregel dient te worden gevolgd. Daartoe overweegt de Raad dat appellante op het werkbriefje over de periode van 19 augustus 2002 tot en met 15 september 2002 geen enkele sollicitatie heeft vermeld. Duidelijk is dat appellante na terugkomst van haar vakantie op 3 september 2002 nog twee weken resteerde waarin zij aan haar sollicitatieverplichting had dienen te voldoen. Bovendien was appellante ook op deze verplichting gewezen. Uit het werkbriefje blijkt echter dat appellante in deze twee weken geen enkele sollicitatieactiviteit heeft verricht. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de haar gestelde verplichting en heeft zij in onvoldoende mate getracht passende arbeid te verkrijgen. Dit betekent dat het Uwv terecht een maatregel, inhoudende een korting van 20 procent op de uitkering gedurende 16 weken, heeft opgelegd.

5.5. Dat appellante zou worden opgenomen in verband met een operatie doet daar niet aan af. De oproep van het ziekenhuis voor de operatie op 8 oktober 2002 ontving appellante eerst op 25 september 2002, terwijl het werkbriefje de periode tot en met 15 september 2002 besloeg. Naar het oordeel van de Raad had dit appellante dan ook niet dienen te beletten om aan haar sollicitatieverplichting te voldoen.

5.6. Ten slotte acht de Raad in hetgeen is aangevoerd geen dringende redenen gelegen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

6. De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep. De totale kosten, betrekking hebbende op verleende rechtsbijstand, worden derhalve begroot op € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de ontzegging van het recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ingaande 7 augustus 2002;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door appellante in verband met de behandeling van beroep en hoger beroep gemaakte kosten tot een bedrag van € 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal

€ 140,-- (€ 37,-- + € 103,--) aan haar vergoedt.

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbende op de opgelegde maatregel op grond van de Werkloosheidswet.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.H. Peper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 september 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.H. Peper