Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ7860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
04-6789 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Slechte beheersing Nederlandse taal. Kon betrokkene zijn problematiek voldoende duidelijk maken?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6789 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 november 2004, 03/725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. de Jong, advocaat te Goirle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.A.C. Rijk.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 19 februari 2003 het besluit van 11 juli 2002 heeft gehandhaafd, waarbij de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 12 september 2002 is ingetrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten, daarbij doorslaggevende betekenis toekennend aan het op 6 mei 2004 door haar ontvangen advies van de als deskundige geraadpleegde zenuwarts-psychiater W. Eland. Deze heeft, naar aan zijn rapport valt te ontlenen, kennis genomen van de beschikbare medische gegevens, waaronder inlichtingen van appellants huisarts, de rapporten van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen, inlichtingen van de appellant in Turkije behandeld hebbende psychiater en het op verzoek van het Uwv door de psychiater

B.J. van Eyk uitgebrachte rapport van 16 december 2002. De deskundige Eland is tot de conclusie gekomen dat de bij appellant door hem gediagnosticeerde aanpassingsstoornis ten tijde hier in geding er niet aan in de weg stond om zijn eigen werk van productiemedewerker in een fabriek van vliegtuigcomponenten dan wel andersoortige voor hem geschikt geachte werkzaamheden te verrichten.

In hoger beroep heeft appellant (samengevat) doen aanvoeren dat de rechtbank en het Uwv ten onrechte op basis van de voorliggende rapportages hebben aangenomen dat er geen sprake is van een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS), dat appellant door zijn slechte beheersing van de Nederlandse taal zijn problematiek niet inzichtelijk heeft kunnen maken en dat overigens de verschillende rapportages niet zonder meer leiden tot arbeidsgeschiktheid, omdat daaruit blijkt dat wel degelijk sprake is van onderliggende problematiek. Ten slotte is aangevoerd dat de resterende verdiencapaciteit niet juist is berekend en dat de rechtbank daaromtrent ten onrechte geen oordeel heeft gegeven.

De Raad ziet geen aanleiding voor de veronderstelling dat het onderzoek van de deskundige Eland als gevolg van een mogelijk gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal door appellant niet aan de daaraan te stellen eisen heeft voldaan. In de eerste plaats wijst de Raad erop dat in eerder zich onder de gedingstukken bevindende rapportages van medische en arbeidskundige aard verslag wordt gedaan van hetgeen met appellant is besproken, zonder dat wordt aangegeven dat zich daarbij taalproblemen hebben voorgedaan. Voorts wijst de Raad erop dat appellant na zijn komst met zijn ouders naar Nederland in 1987 twee jaar op de basisschool heeft gezeten en een jaar op de MAVO. Nadien heeft appellant zijn schoolopleiding in Turkije voltooid en is in 1989 naar Nederland teruggekeerd. Mede gelet op de tijd die sedertdien is verlopen en de omstandigheid dat appellant bij verschillende werkgevers in Nederland werkzaam is geweest acht de Raad niet zonder meer aannemelijk dat hij, anders dan aan voormelde rapportages valt te ontlenen, over een onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal beschikt. Een en ander vindt ook zijn bevestiging in de door de psychiater Van Eyk in zijn rapport van 16 december 2002 gedane mededeling dat de bezwaarverzekeringsarts, die om het onderzoek door deze psychiater had verzocht, een tolk niet noodzakelijk achtte en de vermelding door de psychiater van Eyk in zijn rapport van de aanwezigheid van een neef van appellant die volledig op de achtergrond bleef en af en toe door appellant werd gevraagd om een en ander wat te verduidelijken. Daarbij komt dat van de zijde van appellant niet is gesteld dat de psychiaters van Eyk en Eland van belang zijnde gegevens hebben gemist dan wel onjuist in hun rapporten hebben weergegeven. Ten slotte is in dit verband niet zonder betekenis dat de betrokken psychiaters zelf, onafhankelijk van elkaar, zich kennelijk in staat hebben geacht omtrent de gezondheidstoestand van appellant en zijn medische beperkingen tot het verrichten van arbeid te rapporteren.

De Raad stelt voorts vast dat de deskundige Eland bekend was met de opvatting van de huisarts en de psychiater in Turkije dat sprake was van PTSS en dat hij op basis van zijn eigen onderzoek kennelijk geen aanleiding heeft gevonden die diagnose over te nemen. De Raad ziet in hetgeen in hoger beroep is aangevoerd geen aanknopingspunten om het oordeel van de deskundige Eland voor onjuist te houden. Daarbij wijst de Raad op de omstandigheid dat zijn conclusie dat sprake is van een aanpassingsstoornis overeenstemt met de door de psychiater van Eyk gestelde diagnose.

Met betrekking tot de berekening van de restverdiencapaciteit van appellant onderschrijft de Raad hetgeen het Uwv daaromtrent bij verweerschrift in eerste aanleg, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 9, onder b en artikel 10, onder b van het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, heeft weergegeven.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.