Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ7852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
04-6307 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Rustpauzes? Urenbeperking? Onvoldoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2007/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6307 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 oktober 2004, 03/2574 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft A.C. Fondse, wonende te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Knollema.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft in 1986 zijn voltijds verrichte werkzaamheden als timmerman in verband met longklachten gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken is aan appellant per 9 januari 1987 (onder meer) een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het thans bestreden en op bezwaar genomen besluit van 2 oktober 2003 heeft het Uwv zijn besluit van 5 februari 2003 gehandhaafd, waarbij de WAO-uitkering van appellant met ingang van 4 april 2003 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts hem weliswaar beperkt heeft geacht om langer dan zes uur per dag te werken, maar ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij na drie uur werken minimaal twee uur bedrust dient te hebben alvorens weer drie uur te kunnen werken. In de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies is met dit specifieke aspect geen rekening gehouden, zodat de arbeidsongeschiktheidsschatting niet aan de daaraan te stellen wettelijke eisen voldoet.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat gelet op de beschikbare medische gegevens er aanleiding bestaat om het standpunt van het Uwv te volgen dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in voldoende mate met de medische beperkingen van appellant rekening is gehouden. De door appellant ingezonden brief van 2 januari 2004 van zijn huisarts, waarin deze verklaart appellant te steunen in zijn verzoek de werktijd zodanig in te delen dat er gedurende de dag voldoende tijd is om “weer op te laden”, heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gegeven om aan te nemen dat de door het Uwv aanvaarde beperking van de werktijd tot dertig uur per week (zes uur per dag) te weinig was.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank overwogen dat appellant vanwege zijn handeczeem onder relatief schone omstandigheden dient te werken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het merendeel van de functies aan deze eis voldoet, nu het gaat om functies waarin contact met onder meer geld, nikkel, lijm, alcohol en bedrukt papier voorkomt. Het bestreden besluit berust, aldus de rechtbank, derhalve niet op een deugdelijke motivering en is om die reden vernietigd.

In hoger beroep heeft appellant, onder overlegging van een schrijven van

25 augustus 2004 van zijn huisarts, aangevoerd dat hij na drieëneenhalf uur werk naar bed moet om zo’n twee uur te rusten om daarna nog tweeëneenhalf uur te werken. Het Uwv heeft, aldus appellant, niet aangetoond dat de geduide functies deze werkindeling toelaten.

Bij het verweerschrift heeft het Uwv een rapport van 2 november 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw overgelegd, waarin is uiteengezet dat appellant in verband met zijn eczeemklachten uitsluitend beperkt wordt geacht voor arbeid waarin bij voortduring onder natte omstandigheden wordt gewerkt en dat in de geduide functies daarvan geen sprake is. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige B.H.M. Bootsma bij rapport van 6 april 2004 de geschiktheid van de geduide functies nader gemotiveerd en onder vervallenverklaring van een functie geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op basis van de resterende functies onverminderd 65 tot 80% bedraagt.

Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk, door de Raad desgevraagd, bij rapport van 30 augustus 2006 uiteengezet dat in de geduide functies normale werk- en rusttijden horen. Dat betekent dat bij functies waarin vier uur of langer gewerkt wordt, er veelal tussentijds een koffiepauze is van tien minuten en er na vier uur werken sprake is van einde dienst of een pauze van 30 tot 45 minuten waarna verder wordt gewerkt. De bezwaarverzekeringsarts C.E.M. van Geest heeft bij rapport van 6 september 2006 daaraan toegevoegd dat op basis van de bevindingen van de behandelend longarts bij appellant sprake is van een stabiele longfunctie die bij onderzoek van 1 mei 2003 zeer fraai was. Uit medisch oogpunt moet appellant dan ook in staat worden geacht om vier uur aaneengesloten te werken. Het Uwv heeft op grond hiervan het standpunt ingenomen dat de geduide functies voor appellant geschikt zijn, nu daarin, op een uitzondering na, maximaal vier uur per dag wordt gewerkt en dat derhalve op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is gesteld op 65 tot 80%.

Ter zitting van de Raad is van de zijde van het Uwv gesteld dat bij nader inzien, uitgaande van een maximale werktijd van vier uur per dag, de resterende vier voor de schatting gebruikte SBC-codes (516180, 111180, 111190 en 315110) met minder functies waren gevuld dan tot dan was aangenomen en dat dat gevolgen heeft voor de bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage te hanteren reductiefactor. Desgevraagd is tevens erkend dat een onjuist mediaanloon is gehanteerd, omdat de drie SBC-codes met de hoogst verdienende functies onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen, zodat de vierde SBC-code bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden betrokken. Daardoor moet als mediaanloon het gemiddelde worden genomen van het loon dat in de tweede en derde SBC-code kan worden verdiend. Ten slotte is gesteld dat het maatmaninkomen vanwege een onjuiste indexering op een te laag bedrag is vastgesteld. Een juiste berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage zou, aldus het Uwv, evenwel niet behoeven te betekenen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij het bestreden besluit is onderschat.

De Raad begrijpt ten aanzien van het medisch aspect het standpunt van het Uwv aldus dat appellant maximaal zes uur per dag kan werken met de normale onderbrekingen van de werktijd en dat uit medisch oogpunt het door appellant voorgestane arbeidspatroon waarbij de werktijd met een rustperiode van twee uur wordt onderbroken niet noodzakelijk is.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Uit de beschikbare gegevens valt niet af te leiden dat de belastbaarheid van appellant is overschat. De in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts van appellant bevat in vergelijking met de in eerste aanleg overgelegde verklaring geen nieuwe gegevens en biedt bij het licht van de overige gegevens van medische aard onvoldoende steun voor de noodzaak van het door appellant voorgestane arbeidspatroon.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant stelt de Raad vast dat de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd omdat onvoldoende was gemotiveerd waarom de geduide functies voor appellant, gelet op zijn klachten van handeczeem, geschikt waren te achten.

Gelet op het verhandelde in hoger beroep voegt de Raad daaraan toe, dat ook overigens de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit te wensen overlaat, nu zelfs ter zitting van de Raad nog correcties op die onderbouwing moesten worden aangebracht. De Raad acht deze gang van zaken in strijd met een goede procesorde. Er is voor het Uwv in hoger beroep voldoende gelegenheid geweest de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit tijdig van een nadere motivering te voorzien, dan wel een nieuw besluit ter uitvoering van de aangevallen uitspraak te nemen met een deugdelijke arbeidskundige motivering. Het een noch het ander is geschied. Het gaat niet aan tot op de zitting van de Raad aanmerkelijke wijzigingen in de voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid relevante gegevens aan te brengen, zulks mede gelet op de onduidelijkheid die zulks voor appellant, die zich niet laat bijstaan door een professioneel gemachtigde, heeft met betrekking tot de daaraan voor de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage te verbinden gevolgen. Daardoor is appellant onnodig geschaad in de verdediging van zijn standpunt dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is onderschat. De Raad onthoudt zich derhalve van een oordeel over de juistheid van hetgeen ter zitting met betrekking tot de arbeidskundige grondslag is aangevoerd en volstaat met de vaststelling dat daaruit blijkt dat het Uwv kennelijk ook de opvatting is toegedaan dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voorafgaande aan de zitting nog onvoldoende was gemotiveerd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek is vernietigd voor bevestiging in aanmerking komt met dien verstande dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 102,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en

A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.