Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
06-221 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2005:AU9016, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Door eigen toedoen geen passend werk behouden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/221 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 29 november 2005, 05/424 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Atema, werkzaam bij Rechtshulp Noord, vestiging Friesland, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2006. Appellant is verschenen bij mr. Atema, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant is op 10 februari 2003 als distributiechauffeur in dienst getreden bij [werkgever] (rechtsvoorgangster van [de besloten vennootschap], verder te noemen: werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 11 september 2003. Vervolgens is op 11 september 2003 met appellant een arbeidsovereenkomst afgesloten voor de duur van 12 maanden, die van rechtswege eindigt op 11 september 2004.

Op 9 september 2004 heeft de werkgever appellant mondeling en op 10 september 2004 schriftelijk te kennen gegeven dat het dienstverband niet wordt verlengd vanwege diverse voorvallen die zich in het laatste jaar hebben voorgedaan.

2.1. Op 13 september 2004 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd, welke hem bij besluit van 22 oktober 2004 is geweigerd op de grond dat hij verwijtbaar werkloos is. Appellant had volgens het Uwv kunnen weten dat zijn gedrag mogelijk tot ontslag zou kunnen leiden. Bij besluit van 17 februari 2005, het bestreden besluit, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2004 ongegrond verklaard onder wijziging van de motivering en de grondslag. Daartoe is overwogen dat appellant ingaande 13 september 2004 niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering omdat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. Appellant heeft in de opvatting van het Uwv door zijn gedrag, zijn houding en het niet naleven van de bedrijfsregels geen verlenging dan wel omzetting van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst gekregen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft -gelet op hetgeen appellant en zijn werkgever mondeling en schriftelijk hebben verklaard- als vaststaand aangenomen dat appellant de bedrijfsregels heeft overtreden.

4. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte zonder nader onderzoek hetgeen door de werkgever is gesteld voor juist heeft gehouden.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge het bij het bestreden besluit toegepaste artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten derde, van de WW rust op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 21 mei 1991, LJN ZB2048, RSV 1991/283, kan in een geval als het onderhavige, waarbij de dienstbetrekking van rechtswege is geƫindigd door het expireren van de overeengekomen termijn, het intreden van de werkloosheid te wijten zijn aan het toedoen van de werknemer, wanneer duidelijk is dat het dienstverband zou zijn verlengd indien de werknemer zich niet zou hebben schuldig gemaakt aan een handelen of nalaten dat tot het niet verlengen heeft geleid en dat hem, vanuit het oogpunt van toepassing van de WW, kan worden aangerekend. De Raad is van oordeel dat appellant deze bepaling op zich van toepassing heeft doen worden.

5.2. De Raad stelt voorop dat appellant als distributiechauffeur van officiƫle poststukken en pakketten een vertrouwelijke taak had, die door de werkgever aan strikte bedrijfsregels was gebonden. Uit de beschikbare gegevens heeft de Raad afgeleid dat appellant zich met regelmaat niet aan de door de werkgever opgelegde bedrijfsregels heeft gehouden. Dit gedrag van appellant heeft er onder meer toe geleid dat TPG post pakketservice, een klant van de werkgever, zich bij brief van 26 februari 2004 bij appellant heeft beklaagd naar aanleiding van een klacht omdat hij zich niet aan de kwaliteitsladder van TPG post pakketservice heeft gehouden. Appellant heeft een zending op een grijze vuilniscontainer achtergelaten en in het verleden heeft appellant iets soortgelijks gedaan waarvoor hij destijds van TPG post pakketservice een waarschuwing heeft gekregen. Verder is gebleken dat appellant zelf heeft getekend voor de ontvangst van pakketten bestemd voor een klant, terwijl dat -ongeacht wat een klant met hem hierover heeft afgesproken- niet was toegestaan. Voorts werden distributielijsten door appellant niet juist ingevuld en waren er klachten met betrekking tot het tegen de regels in achterlaten van pakketten bij buren van geadresseerden.

5.3. Appellant ontkent deze feiten niet maar hij bagatelliseert ze, stellend dat over de handhaving van de regels door de werkgever lacherig werd gedaan in het bedrijf. De Raad heeft echter geen aanleiding om hetgeen de werkgever het Uwv desgevraagd heeft meegedeeld en waarin geen enkele bevestiging voor appellants stelling dienaangaande is te vinden, voor onjuist te houden. Voor nader onderzoek bij de werkgever, zoals door appellant verlangd, ziet de Raad geen aanleiding.

De Raad ziet dan ook geen redenen om te concluderen dat het niet nakomen van de in 5.1. genoemde verplichting appellant niet in overwegende mate te verwijten valt.

6. De aangevallen uitspraak zal onder verbetering van gronden worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

BvW

2112