Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
05-4729 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet kan worden gesteld dat appellant zich zodanig verwijtbaar jegens de werkgever heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. WW-uitkering is ten onrechte blijvend geheel geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4729 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 juni 2005, 04/1088 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A.R. Brouwers, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Nadien is het onderzoek heropend en heeft het Uwv op verzoek van de Raad stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 27 september 2006. Appellant, daartoe opgeroepen vanwege de Raad, is verschenen, bijgestaan door mr. L.G.C.M. de Wit, kantoorgenoot van mr. Brouwers, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Aarts, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant was werkzaam in dienst van DPS, toen hij arbeidsongeschikt werd wegens psychische klachten. Aan hem is ingaande 24 maart 2000 een arbeidsongeschiktheids-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Appellant is ingaande 19 juni 2000 gereïntegreerd in de functie van algemeen medewerker bij [werkgever] (hierna: de werkgever), aanvankelijk gedeeltelijk en volgens appellant vanaf enig tijdstip in 2002 volledig. Op 14 maart 2002 heeft appellant zijn werkzaamheden als gevolg van psychische klachten gestaakt. Hij is sindsdiens niet meer werkzaam geweest bij zijn werkgever. Op 13 mei 2003 heeft de Raad van bestuur van de Centrale organisatie voor werk en inkomen aan de werkgever toestemming verleend de arbeidsover-eenkomst met appellant op te zeggen.

2.2. Op 1 mei 2003 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 22 juli 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 april 2004, heeft het Uwv de uitkering aan appellant met ingang van 9 juni 2003, per welke datum de (verhoogde) WAO-uitkering werd ingetrokken, bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv overwogen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij zich zo heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. In dat verband is aangegeven dat appellant niet voldoende heeft meegewerkt aan de reïntegratie bij zijn werkgever door op het afgesproken tijdstip (13 januari 2003) waarop de reïntegratie zou aanvangen niet op het werk te verschijnen en dat uit de overgelegde verklaring van psychiater B.S. Resida en de verklaring van de arbo-arts niet is gebleken dat hij op dat moment medisch gezien niet in staat was zijn werk te hervatten, hetgeen ertoe heeft geleid dat hij zijn arbeids-plaats bij zijn werkgever heeft verloren.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daarbij is vastgesteld dat appellant door de arbo-arts op 8 januari 2003 in staat werd geacht om met ingang van 13 januari 2003 voor 2 x 4 uur per week op basis van arbeidstherapie zijn werk te hervatten en dat voorts vaststaat dat appellant op genoemde datum niet op zijn werk bij zijn werkgever is verschenen en dat hij een deskundigen-oordeel bij het Uwv heeft gevraagd. Met het Uwv was de rechtbank van oordeel dat appellant zijn standpunt dat hij door zijn medische gesteldheid niet in staat was te gaan werken, niet met medische stukken heeft onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant zich op 13 januari 2003 niet bij zijn werkgever heeft gemeld, noch met deze contact heeft opgenomen, zodat hem wordt verweten dat hij niet heeft meegewerkt aan zijn reïntegratie. De rechtbank heeft de grief van appellant dat hij in afwachting van het deskundigenoordeel was en daarom niet hoefde te gaan werken verworpen, omdat het aanvragen van een deskundigenoordeel (in beginsel) geen opschortende werking heeft. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en op die grond de uitkering blijvend geheel geweigerd.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Daartoe is aangevoerd dat hij op 13 januari 2003 op zijn fiets is gestapt met de bedoeling om zijn werk te hervatten, maar dat hij, nadat hij drie uren had rondgefietst, terug naar huis is gegaan. Daarna heeft hij contact opgenomen met zijn psychiater en heeft hij aan de bedrijfsarts doorgegeven dat hij niet kon werken. Voorts is hij van mening dat het gebruikelijk is om niet te gaan werken zolang de uitkomst van een gevraagd deskundigenoordeel nog niet bekend is. Volgens hem was er onder deze omstandigheden geen sprake van verwijtbare gedragingen, waaruit hij had kunnen begrijpen dat hij zou worden ontslagen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW en of het Uwv in verband hiermee de uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd.

5.2. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en hij overweegt daartoe als volgt.

5.3. Appellant heeft, na zijn gesprek met de bedrijfsarts M. Banda op 8 januari 2003, bij brief van 9 januari 2003 aan de bedrijfsarts te kennen gegeven erg veel moeite te hebben met diens oordeel dat hij met ingang van 13 januari 2003 op arbeidstherapeutische basis voor 2 x 4 uur per week dient te hervatten, welk oordeel door de bedrijfsarts bij schrijven van 8 januari 2003 tevens aan de werkgever kenbaar was gemaakt. In de brief van

9 januari 2003 heeft appellant te kennen gegeven een second opinion aan te vragen, zodat een arts van het Uwv zich hierover zal uitspreken. Op de daartoe strekkende aanvraag van appellant is evenwel niet door een arts van het Uwv maar door een arbeidsdeskundige van het Uwv een deskundigenoordeel, gedateerd 28 januari 2003, uitgebracht en deze heeft daarin de conclusie neergelegd dat niet is gebleken dat de werkgever niet bereid was om appellant in de gelegenheid te stellen te hervatten in passende werkzaamheden, zodat de werkgever aan zijn verplichting heeft voldaan om voldoende aan de reïntegratie van appellant mee te werken. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv kenbaar gemaakt dat, nu de bedrijfsarts, gelet op diens schrijven van 8 januari 2003, van mening was dat appellant arbeidsongeschikt was, er geen grond was voor het uitbrengen van een medisch deskundigenoordeel. Mede op basis van het wel uitgebrachte deskundigenoordeel (door de arbeidsdeskundige) heeft het Uwv bij besluit van 22 juli 2003 aan appellant de door hem aangevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. In zijn bezwaar tegen dat besluit heeft appellant wederom aangevoerd dat hij om medische redenen niet op

13 januari 2003 heeft kunnen hervatten en dat hij, gelet op dat standpunt, een second opinion had aangevraagd bij het Uwv. Naar het oordeel van de Raad had het Uwv, gelet op het voorgaande, niet op de bezwaren van appellant mogen beslissen dan nadat door hem een nader onderzoek was ingesteld naar de vraag of appellant op 13 januari 2003 op medische gronden in staat was om op arbeidstherapeutische basis voor 2 x 4 uur bij zijn werkgever te hervatten. Nu het Uwv dit heeft nagelaten, acht de Raad het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen.

5.4. De Raad zal echter niet volstaan het bestreden besluit op die grond te vernietigen omdat hij tevens van oordeel is dat de vraag of appellant, door het niet op 13 januari 2003 op arbeidstherapeutische basis bij zijn werkgever te hervatten en vervolgens na te laten zijn werkgever te melden dat hij zich daartoe niet in staat acht, zich zodanig verwijtbaar jegens de werkgever heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben, gelet op de omstandigheden van het voorliggende geval, ontkennend dient te worden beantwoord.

Hij wijst er daartoe in de eerste plaats op dat de werkgever (ten tijde van belang) reeds vanaf 1 november 2002 de aanvullende loondoorbetaling aan appellant had gestaakt. Voorts acht de Raad van belang dat bij appellant sprake was van een situatieve arbeidsongeschiktheid, zodat het antwoord op de vraag of van hem kon worden gevergd op arbeidstherapeutische basis te hervatten bij zijn eigen werkgever tevens van belang is voor de vraag of appellant zich verwijtbaar jegens zijn werkgever heeft gedragen als hierboven bedoeld. Voor een antwoord op die vraag was, naar de Raad hierboven heeft overwogen, een nader medisch onderzoek noodzakelijk, welk onderzoek evenwel is uitgebleven. Nu dat onderzoek, om welke reden dan ook, is uitgebleven acht de Raad genoegzaam grond aanwezig voor het oordeel dat hervatting bij de eigen werkgever op basis van arbeidstherapie niet voor de hand liggend was. Voorts vormde diens situatieve arbeidsongeschiktheid voor appellant de reden om de contacten over werkhervatting via de bedrijfsarts te leggen, zodat het appellant naar het oordeel van de Raad niet valt toe te rekenen dat hij, nadat hij had geprobeerd te hervatten bij zijn werkgever, op 13 januari 2003 niet bij de werkgever maar bij de bedrijfsarts heeft gemeld dat hij daartoe niet in staat was.

5.5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat niet kan worden gesteld dat appellant zich zodanig verwijtbaar jegens de werkgever heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Mitsdien is de WW-uitkering ten onrechte blijvend geheel geweigerd.

5.6. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd. De Raad acht termen aanwezig het besluit van 22 juli 2003 te herroepen voorzover daarbij een maatregel is opgelegd.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de door appellant in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 644,--, alsmede in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van

€ 644,--, in totaal derhalve tot een bedrag van € 1.932,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 22 juli 2003 voorzover betrekking hebbende op de opgelegde maatregel;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en

C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) L. Karssenberg.

BvW

2112