Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
06-2103 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning vergoeding huishoudelijke hulp en vervoer, bij vaststelling hoogte als uitgangspunt het wonen in Indonesië genomen. Weigering WUV-uitkering. Geen causaal verband met vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2103 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 21 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 30 december 2005, kenmerk JZ/l/70/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006, waar appellant niet is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, geboren in 1929 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in augustus 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als vervolgde in de zin van de Wet en om in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Bij besluit van 13 juni 2005 heeft verweerster, onder intrekking van een besluit van 23 mei 2005, appellant erkend als vervolgde en hem met ingang van 1 augustus 2004 vergoedingen toegekend voor huishoudelijke hulp, voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten en een tegemoetkoming voor het onderhouden van sociale contacten. Bij de vaststelling van de hoogte van deze vergoedingen en tegemoetkoming is verweerster ervan uitgegaan dat appellant in Indonesië woont. De aanvraag voor een periodieke uitkering is afgewezen op de grond dat de psychische klachten van appellant weliswaar in verband staan met de vervolging, maar niet hebben geleid tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten. Het syndroom van Reiter en de nekklachten van appellant staan naar het oordeel van verweerster niet in verband met de vervolging maar zijn door andere oorzaken ontstaan. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant heeft in beroep aangevoerd dat hij niet als in Indonesië woonachtig moet worden beschouwd en dat het syndroom van Reiter wel in causaal verband staat met zijn internering in het kamp en de daar opgelopen dysenterie.

De Raad overweegt dat hij verweerster op grond van de voorhanden zijnde gegevens kan volgen in het standpunt dat appellant zijn hoofdverblijf heeft in Bogor in Indonesië en dat de hoogte van de verstrekte voorzieningen daarop moet worden gebaseerd. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant 10 maanden per jaar in Indonesië verblijft met zijn echtgenote en zijn twee zoons en dat daar het centrum van zijn maatschappelijke activiteiten ligt. De aanvraag van appellant is ook ingediend vanuit Indonesië en de kosten voor huishoudelijke hulp worden volledig en de kosten voor sociale contacten overwegend gemaakt in Indonesië. Deze grief van appellant treft dus geen doel.

Het standpunt van verweerster dat het syndroom van Reiter, een auto-immuun aan-doening, niet in causaal verband staat met de ondergane vervolging is in overeen-stemming met het in bezwaar gegeven advies van de geneeskundig adviseur, de arts

A.J. Maas, waarbij het ten behoeve van het primaire besluit uitgebrachte medisch advies hieromtrent is gevolgd. Dit hield in dat het syndroom van Reiter soms optreedt in aansluiting op een darminfectie en dat erfelijke factoren een rol spelen bij het ontstaan van deze aandoening. Nu bij appellant deze ziekte pas in 1983 is vastgesteld, dus bijna veertig jaar na de vervolging, kon deze volgens dit advies geen gevolg zijn van de in de kamptijd doorgemaakte dysenterie, maar betreft dit een erfelijke, constitutioneel bepaalde aandoening.

Op grond van de ter beschikking staande medische gegevens is de Raad niet gebleken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van dit door verweerster in het spoor van haar geneeskundig adviseur ingenomen standpunt.

Gezien het vorenstaande treft ook deze grief van appellant geen doel en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.

HD

14.12.