Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
06-469 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft het Uwv de uitkering bij wijze van maatregel terecht blijvend geheel geweigerd omdat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/469 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 28 november 2005, 04/3129 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is door mr. M.F.J. Witlox, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2006. Appellant is -zoals tevoren bericht- niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.A.G.T. Heijmans, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellant, aan wie een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering was toegekend, had vanaf 29 september 1997 een dienstverband met [werkgever]s (hierna: werkgever), waarvoor hij laatstelijk als heftruckchauffeur en schoonmaker werkzaamheden verrichtte bij [inlener] (hierna: inlener). Na verkregen toestemming van de Raad van bestuur van de Centrale organisatie werk en inkomen (C.W.I.) is appellant met ingang van 8 juli 2004 ontslagen. Aan het verzoek van de werkgever het C.W.I. lag ten grondslag dat appellant zich tijdens zijn werkzaamheden bij de inlener niet aan de veiligheidsvoorschriften heeft gehouden.

2.3. Op 8 juli 2004 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 4 augustus 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 24 september 2004, heeft het Uwv de uitkering bij wijze van maatregel blijvend geheel geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Daartoe is overwogen dat appellant zich niet aan de geldende veiligheidsvoorschriften bij de inlener heeft gehouden en dat hij zich zodanig heeft gedragen dat hij kon weten dat hij zou worden ontslagen. In dit verband is aangegeven dat door appellant niet is betwist dat hij op 3 maart 2004 tweemaal met een heftruck op de koffiehoek is ingereden waar operators zaten en dat hij vervolgens een operator heeft bedreigd met een ijzeren staaf, door welke gedragingen hij volgens het Uwv aanstuurde op de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.

Verwezen is naar artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van de WW.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat uit de voorhanden zijnde gegevens is gebleken van een voldoende zorgvuldig onderzoek omtrent het voorval op 3 maart 2004 door het Uwv. De rechtbank heeft onvoldoende grond gezien om het standpunt van appellant te volgen dat hij, omdat collega’s opmerkingen maakte over zijn werk, in paniek is geraakt en zijn gedragingen hem niet verweten kunnen worden. Ook de mededeling van appellant tijdens het onderzoek ter zitting dat hij vanwege psychische klachten tot het hem verweten gedrag is gekomen en dat hij zich daarvoor inmiddels onder behandeling heeft gesteld, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Voor redenen om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, heeft de rechtbank evenmin aanleiding gezien.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden onder herhaling van de gronden die in beroep naar voren zijn gebracht. Voorts heeft hij een schrijven d.d. 11 november 2005 van zijn huisarts overgelegd, waarin deze verklaart dat appellant bij hem bekend is met recidiverende psychische stoornissen welke volledig in lijn zijn met het incident van 3 maart 2004, dat hij het zeer waarschijnlijk acht dat appellant op dat moment niet toerekeningsvatbaar was tengevolge van een psychose met achtervolgingswaanzin. Tevens is overgelegd een schrijven van de GGZ Oost-Brabant d.d.

19 december 2005, waaruit blijkt dat appellant in de periode van 23 september 2005 tot 26 september 2005 vrijwillig opgenomen is geweest.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit.

5.3. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Daartoe overweegt de Raad dat het Uwv ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om appellants in de bezwaarfase aangegeven omstandigheid dat hij ten tijde van het voorval tot zijn gedrag is gekomen vanuit een gemoedstoestand waardoor hij in paniek is geraakt, nader te onderzoeken. De verklaring van de huisarts in hoger beroep, hiervoor onder 4. weergegeven, wijst er temeer op dat dat onderzoek niet achterwege had mogen blijven.

De enkele verwijzing in het verweerschrift van het Uwv in hoger beroep naar de -overigens in geen enkel ander gedingstuk vastgelegde- conclusie van een bezwaar-verzekeringsarts aan wie het dossier was voorgelegd, inhoudende dat deze het op grond van het grote tijdsinterval tussen de opname bij het GGZ en de litigieuze datum niet aannemelijk acht dat het incident met de heftruck en de ijzeren staaf toegeschreven kan worden aan omstandigheden welke met díe opname verband hielden, leidt niet tot een ander oordeel, te minder nu geenszins is gebleken dat deze arts ook aandacht heeft besteed aan de inhoud van eerdergenoemde verklaring van de huisarts. Gelet op het hier overwogene is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen.

5.4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Dat heeft tot gevolg dat het Uwv opnieuw op de bezwaren van appellant zal dienen te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, waarbij tevens aandacht zal dienen te worden besteed aan het verzoek van appellant om vergoeding van de in de bezwaarschriftfase gemaakte kosten.

6. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, in totaal derhalve € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op de bezwaren van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.