Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
05-4511 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek uit billijkheidsoverwegingen te voorzien in een andere compensatievorm die meer recht doet aan het vervallen van de door hem door de jaren heen verworven inkomenscomponent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4511 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juni 2005, 04/2624, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: college)

Datum uitspraak: 20 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. W.J.M. Wetzels, verbonden aan ABVAKABO FNV. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.P.M. Backx-de Backer, werkzaam bij de gemeente Roosendaal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is gedurende ongeveer 30 jaar belast geweest met het verrichten van wacht- en storingsdiensten. Daarvoor is hem, laatstelijk op grond van artikel 3:3:1:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Roosendaal (hierna: AGR), een vergoeding toegekend. In verband met de beƫindiging van de wacht- en storingsdiensten is hem de in artikel 3:3:1:12 van de AGR geregelde aflopende toelage (hierna: afbouwregeling) toegekend.

1.2. Appellant heeft het college verzocht uit billijkheidsoverwegingen te voorzien in een andere compensatievorm die meer recht doet aan het vervallen van de door hem door de jaren heen verworven inkomenscomponent. Het college heeft bij de beslissing op bezwaar (hierna: bestreden besluit) dit beroep op de in artikel 3:1:1:14 van de AGR vervatte hardheidsbepaling afgewezen.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de door appellant geschetste omstandigheden, waarvan in het bijzonder de lange duur en de frequentie van de wacht- en storings-diensten, niet zodanig zijn dat het college een andersluidende afbouwregeling had moeten treffen.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het specifieke referentiekader, bestaande enerzijds uit de lange duur van de beschikbaarheidsdiensten en anderzijds de niet onaanzienlijke toelage en vergoeding voor overwerk die als een structureel onderdeel van de bezoldiging zijn gaan gelden. Voorts is een beroep gedaan op de ruimhartiger toepassing van een afbouwregeling in vergelijkbare situaties, bijvoorbeeld in de gemeente Oosterhout.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Hij stelt vast dat de rechtbank blijkens haar uitspraak de door appellant geschetste omstandigheden wel in haar beoordeling heeft betrokken. Evenals de rechtbank deelt de Raad de opvatting van het college dat die omstandigheden niet van dien aard zijn dat gesproken moet worden van een bijzonder geval waarin op basis van de hardheidsbepaling een voorziening getroffen kan worden. De Raad merkt nog op dat de frequentie van de beschikbaarheidsdiensten en de duur van het genot van de vergoeding daarvoor tot op zekere hoogte in de afbouwregeling zijn verdisconteerd en dat de AGR uitdrukkelijk voorziet in een beperking van de duur van de afbouwregeling. Het wegvallen van de vergoeding voor overwerk acht de Raad hier niet van belang.

4.2. De Raad verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het in dat kader genoemde voorbeeld kan volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 13 april 2000, TAR 2000, 76) reeds geen doel treffen omdat het hier gaat om een situatie waar niet het college maar een ander het bevoegde bestuursorgaan is.

5. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.