Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2006
Datum publicatie
12-01-2007
Zaaknummer
06-2067 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar aangevoerd tegen de berekening van de periodieke uitkering is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2067 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 21 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 28 februari 2006, kenmerk JZ/L80/2006, door verweerster ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2006. Aldaar is appellant niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellant gelijkgesteld met de vervolgde en als zodanig uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet.

Bij berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 is de appellant over de jaren 1999, 2000 en 2004 toekomende periodieke uitkering definitief, en vanaf 1 januari 2005 voorlopig vastgesteld.

Tegen deze berekeningsbeschikking heeft appellant bij schrijven van 8 augustus 2005 bezwaar gemaakt. Hierbij heeft appellant - voorzover nog van belang - grieven aangevoerd betreffende de berekening van zijn periodieke uitkering over de jaren 2001 tot en met 2003.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster het door appellant ten aanzien van deze jaren ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond - kort gezegd - dat de periodieke uitkering over die jaren al bij eerdere berekeningsbeschikkingen definitief was vastgesteld en dat de aangevochten berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 daarover geen nieuw of nader besluit bevat in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

In beroep heeft appellant aangevoerd - samengevat - dat inmiddels is gebleken dat de berekening van de periodieke uitkering over de jaren 2001 tot en met 2003 berust op een onjuiste feitelijke grondslag.

De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van de gedingstukken staat vast dat de berekeningsbeschikking van 30 juni 2005 niet handelt en ook niet behoefde te handelen over de jaren 2001 tot en met 2003. De door appellant hierover ingebrachte grieven treden derhalve buiten het onderwerp van die beschikking en het bezwaar is dan ook in dat opzicht terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad merkt nog op dat appellant zich op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet kan wenden tot verweerster met een verzoek om de al eerder genomen berekenings-beschikkingen over de jaren 2001 tot en met 2003 te herzien, indien naar zijn mening sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die op die berekeningen een ander licht werpen.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd niet tot vernietiging van het nu bestreden besluit kan leiden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.M. Szabo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 december 2006.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) W.M. Szabo.