Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
08-01-2007
Zaaknummer
04-5224 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu geen causaal verband bestaat tussen het genomen WAO-besluit en de door betrokkene gestelde schade heeft het Uwv het verzoek om vergoeding van deze schade terecht afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5224 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 25 augustus 2004, 04/101 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een uitgebreid overzicht van de feiten en omstandigheden van belang verwijst de Raad naar de overwegingen 2.1 tot en met 2.5 van de aangevallen uitspraak.

Appellant heeft zich op 16 september 1999 ziek gemeld uit zijn betrekkingen als

docent bij twee scholen. Bij besluit van 31 januari 2001 heeft het Uwv appellant per

14 september 2000 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

Appellant kon zich met deze toekenning niet verenigen omdat hij zich niet volledig arbeidsongeschikt achtte en bij één van zijn werkgevers wenste te re-integreren. Naast het indienen van bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2001 heeft appellant ook om een herkeuring verzocht.

Dit laatste heeft geleid tot een herziening van de uitkering per 2 april 2002, naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% en de aanname van het Uwv dat appellant zijn bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2001 niet wenste voort te zetten.

Appellant is van opvatting dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 31 januari 2001. De werkgever bij wie appellant wenste te re-integreren wilde niet aan reintegratie meewerken zolang appellant een WAO-uitkering ontving berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Het gevolg hiervan was, naar appellant heeft aangevoerd, dat zijn bezoldiging werd teruggebracht naar 80%.

Appellant heeft het Uwv verzocht hem de schade te vergoeden die hij als gevolg van het verlagen van zijn bezoldiging heeft geleden.

Bij besluit van 5 december 2003 heeft het Uwv - beslissend op bezwaar - het verzoek van appellant om vergoeding van schade deels ingewilligd, deels afgewezen en aangegeven dat omtrent een deel van de vordering een apart besluit zal worden genomen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 5 december 2003 ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het onderdeel van de uitspraak waarbij de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant over de periode van 1 april 2001 tot 1 oktober 2001 een vergoeding van schade toe te kennen.

Appellant is kort samengevat van opvatting dat de schade die hij heeft geleden als gevolg van de korting van zijn bezoldiging in de periode van 1 april 2001 tot 1 oktober 2001 geheel is terug te voeren op en ook het gevolg is van het besluit van het Uwv van

31 januari 2001.

Appellant heeft in hoger beroep er tevens aandacht voor gevraagd dat omtrent zijn opvatting over zijn mate van arbeidsongeschiktheid en de schade die hij heeft geleden als gevolg van besluiten van het Uwv ter zake, meerdere procedures - bij het Uwv en de rechtbank - aanhangig zijn. Hij acht het wenselijk de behandeling van het thans aan de orde zijnde geschil aan te houden, zodat alle procedures te zijner tijd in één keer door de Raad kunnen worden beoordeeld.

De Raad ziet geen aanleiding dit verzoek in te willigen. Er is geen sprake van een situatie waarin sprake is van een zodanige samenhang tussen die besluiten dat geen verantwoorde beslechting van het aan de orde zijnde geschil kan plaatsvinden.

Bij besluit van 5 december 2003 heeft het Uwv geweigerd over de periode van

1 april 2001 tot 1 oktober 2001 schadevergoeding toe te kennen op grond van de overweging dat de door de werkgever toegepaste korting haar grondslag vindt in het Besluit Ziekte en Arbeidsongeschiktheid Onderwijs en Onderzoekspersoneel en er geen relatie bestaat met de handelwijze van het Uwv ter zake van de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van appellant.

De Raad deelt het oordeel van de rechtbank zoals neergelegd in de overweging 2.8 van de aangevallen uitspraak, inhoudende dat tussen de gestelde schade en het naar de mening van appellant schadeveroorzakende besluit van 31 januari 2001 geen causaal verband bestaat.

Naar vaste jurisprudentie van de Raad, zoals die blijkt uit zijn uitspraken van

7 april 1999, nummer 97/3895 AAW/WAO (USZ, 1999/160), van 28 augustus 2001, nummer 99/3435 AAW/WAO (JB 2001, 259) en van 18 december 2001, nummer 00/2420 (RSV 2002,38) ziet een besluit waarbij uitkering is toegekend naar zijn aard en strekking slechts op aanspraak op uitkering krachtens de WAO. Aan zo een besluit komt geen relevante betekenis toe voor de financiële gevolgen van een door de werkgever in het kader van de tussen werknemer en werkgever bestaande arbeidsrechtelijke relatie.

Dit geldt temeer omdat de vermogensschade die appellant stelt te lijden als gevolg van het besluit van 31 januari 2001 niet voortvloeit uit dat besluit, maar uit het besluit dat de werkgever van appellant heeft genomen op basis van de voor appellant geldende rechtspositieregeling. Dat de werkgever van appellant zich bij toepassing van de rechtspositieregeling gebaseerd zou hebben op het besluit van 31 januari 2001 - wat van de juistheid van deze stelling ook moge zijn - doet aan het vorenstaande niet af. Van een verplichting om dit te doen is geen sprake. Ook staat de verplichting van de werkgever tot re-integratie in beginsel los van dat besluit.

Nu geen causaal verband bestaat tussen het besluit van 31 januari 2001 en de door appellant gestelde schade heeft het Uwv het verzoek om vergoeding van deze schade terecht afgewezen.

Nu het besluit van 5 december 2003 - voor zover in hoger beroep aan de orde - kan worden gedragen door de motivering die het Uwv aan dit besluit ten grondslag heeft gelegd komt de Raad niet toe aan beantwoording van de vraag of het besluit van

31 januari 2001 al dan niet rechtmatig is. De Raad volstaat met de opmerking dat omtrent het antwoord op de vraag of de tegen het besluit van 31 januari 2001 door appellant aangewende rechtsmiddelen al dan niet door hem zijn ingetrokken nadere besluitvorming plaatsvindt en dat antwoord gelet op het voorgaande geen onderwerp is in deze procedure.

Het hoger beroep slaagt mitsdien niet.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J. Brand en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken op 15 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) W.R. de Vries.

PR/301106