Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5627

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-12-2006
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
06-611 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/611 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2005, 05/2710 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2006. Voor appellant is verschenen mr. Welten voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 29 april 2003 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 3 maart 2003 recht heeft op een WW-uitkering. Bij brief van 5 oktober 2004 is aan appellant meegedeeld dat de betaling van de WW-uitkering met ingang van 20 september 2004 is stop gezet in verband met een ingesteld fraudeonderzoek. De bevindingen van het fraudeonderzoek zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude d.d. 18 november 2004. Bij besluit van 13 januari 2005 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 3 juni 2003 beëindigd omdat appellant met ingang van die datum niet meer beschikbaar was voor werk. Bij besluit van 27 januari 2005 heeft het Uwv van appellant teruggevorderd hetgeen over de periode van 3 juni 2003 tot en met 19 september 2004 onverschuldigd aan hem is uitbetaald, tot een bedrag van € 20.824,60. Tegen de besluiten van 13 en 27 januari 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij brief van 11 april 2005 heeft het Uwv het bij besluit van 27 januari 2005 teruggevorderde bedrag gecorrigeerd en vastgesteld op € 20.817,35.

2.2. Het Uwv heeft de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 13 januari 2005 en 27 januari 2005, als gecorrigeerd bij brief van 11 april 2005, bij besluit van 24 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat hij op grond van de voorhanden zijnde gegevens voldoende aannemelijk acht dat appellant sinds 3 juni 2003 niet meer beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, zodat appellant met ingang van die datum niet meer als werkloos is aan te merken. Voorts heeft het Uwv overwogen dat uit de WW voortvloeit dat hetgeen ingevolge die wet onverschuldigd is betaald, door hem moet worden teruggevorderd, ongeacht de oorzaak van het onverschuldigd betalen en dat hem geen dringende redenen zijn gebleken om van terugvordering af te zien. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft als haar oordeel te kennen gegeven dat aan de hand van het dossier, waartoe de verklaringen van appellant behoren, moet worden geconcludeerd dat geen sprake was van een feitelijke beschikbaarheid van appellant in de in geding zijnde periode en dat appellant de schijn heeft willen ophouden dat hij aan zijn verplichtingen ingevolge de WW voldeed, waaronder het beschikbaarheidsvereiste. Voorts heeft zij geconcludeerd dat, nu appellant over de periode van 3 juni 2003 tot en met 19 september 2004 ten onrechte WW-uitkering heeft ontvangen, het Uwv gehouden was om de onverschuldigd uitbetaalde uitkering van appellant terug te vorderen en dat van dringende redenen om hiervan af te zien niet is gebleken.

4.1. In hoger beroep heeft appellant de stellingen die hij reeds in bezwaar en beroep had verwoord, herhaald. Hoewel appellant niet betwist dat hij een door hem geschreven, in algemene bewoordingen gestelde, sollicitatiebrief heeft gekopieerd en dat door een derde persoon, waarvan hij de identiteit niet heeft willen meedelen, wekelijks een kopie van die brief bij wijze van open sollicitatie is toegezonden aan een werkgever, wiens naam en adres voorkwam op een door appellant vooraf opgestelde lijst, is appellant van mening dat daaruit niet kan en mag worden afgeleid dat hij niet beschikbaar was voor arbeid in de in geding zijnde periode. Ook de omstandigheid dat deze derde persoon in de in geding zijnde periode voor appellant de zogeheten werkbriefjes heeft ingevuld, ondertekend en ingezonden, alsmede de omstandigheid dat appellant in deze periode, anders dan was aangegeven op bedoelde werkbriefjes, niet was geregistreerd als werkzoekende bij het Centrum voor Werk en Inkomen, maakt niet dat tot dat oordeel kan worden gekomen. Appellant heeft gesteld dat hij wegens privé-problemen de rompslomp van administratieve verplichtingen niet aankon en deze derhalve aan een derde persoon heeft overgelaten, alsmede dat hij in de in geding zijnde periode wel op zijn woonadres heeft verbleven en de gegevens uit het fraudeonderzoek onvoldoende zijn om te veronderstellen dat hij daar niet verbleef.

4.2. Het Uwv heeft in verweer verwezen naar zijn standpunt als neergelegd in het bestreden besluit en zich gesteld achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

5. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij stelt zich achter de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad kan de voorhanden zijnde gegevens niet anders duiden dan dat appellant met de door hem bedachte en vormgegeven constructie heeft beoogd tegenover het Uwv de schijn te wekken dat hij aan de voorwaarden voor het recht op WW-uitkering en aan de ingevolge de WW op hem rustende verplichtingen voldeed en aldus doende het Uwv feitelijk heeft misleid. De stelling van appellant dat het hier niet slechts ging om een door hem opgewekte schijn van beschikbaarheid, maar dat hij wel degelijk feitelijk beschikbaar was voor arbeid, wordt naar het oordeel van de Raad niet gesteund door enig gegeven waaruit volgt dat appellant door houding of gedrag ondubbelzinnig heeft doen blijken wel voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar te zijn. Met de rechtbank is de Raad derhalve van oordeel dat bij het bestreden besluit op goede grond is vastgesteld dat appellant in de in geding zijnde periode geen recht had op een WW-uitkering. Tenslotte stelt de Raad vast dat appellant geen zelfstandige grieven heeft ingediend tegen de terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag ad € 20.817,35. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.R.S. Bacon.

LK

19/12