Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
05-5551 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering i.v.m. gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5551 WWB

Centrale Raad van Beroep

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 14 juli 2005, 05/2105 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2006. Voor appellante is mr. Klaver verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante ontving ten tijde in geding bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

Omdat het vermoeden was gerezen dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde, heeft het College daarnaar onderzoek laten instellen door de sociale recherche. Van de bevindingen van het onderzoek is verslag gedaan in een rapport van 2 februari 2005. De conclusie van het onderzoek luidt dat appellante met [van den[B.] (hierna: Van den [B.]) een gezamenlijke huishouding voert.

Het College heeft in de bevindingen van het onderzoek aanleiding gevonden om het recht op bijstand van appellante bij besluit van 11 maart 2005 met ingang van 19 januari 2005 te beëindigen (lees: in te trekken).

Het College heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 maart 2005 bij besluit van 9 juni 2005 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante met Van den [B.] een gezamenlijke huishouding voert, dat zij door dit niet aan het College te melden de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat zij gezien het feit dat een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd niet kan worden aangemerkt als een zelfstandig subject van bijstand. Van een kostgangersrelatie is volgens het College geen sprake, nu een kostgeld van € 325,-- per maand in het geval van appellante niet als een commerciële prijs kan worden gezien. Enkel al de aanwezigheid van Van den [B.] in de woning van appellante leidt tot lagere inkomsten (toeslag, huursubsidie) van appellante ten bedrage van € 181,48 per maand. Het restantbedrag van € 143,52 per maand is onvoldoende voor het gebruik van de maaltijden, de energiekosten en de telefoon. In een inkomen op minimumniveau wordt - in het geval van een alleenstaande - volgens het NIBUD maandelijks € 153,22 begrepen geacht voor voeding en versnaperingen.

Nadat gebleken was dat de gezamenlijke huishouding was beëindigd, heeft het College aan appellante opnieuw bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend met ingang van 29 juni 2005.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de Voorzieningenrechter van de rechtbank, toepassing gevend aan artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het tegen het besluit van 9 juni 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante en Van den [B.] ten tijde van belang gezamenlijk hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en geoordeeld dat op grond van het onderzoek van de sociale recherche genoegzaam is komen vast te staan dat tussen appellante en Van den [B.] sprake is van wederzijdse zorg. Wat het door appellante nuanceren van de tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen betreft, heeft de Voorzieningenrechter geoordeeld dat in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde, door de betrokkene ondertekende, verklaring en dat aan het achteraf intrekken of wijzigen van zulk een verklaring geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend. Nu niet is gebleken dat de verklaring van appellante onder ontoelaatbare druk tot stand is gekomen, of in essentie geen juiste weergave inhoudt van hetgeen is verklaard, heeft de Voorzieningenrechter appellante gehouden aan hetgeen in het proces-verbaal van verhoor is opgetekend. De Voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat ook al zou worden uitgegaan van de nuanceringen die appellante aanbrengt, dit er niet toe kan leiden dat geoordeeld moet worden dat sprake is geweest van een commerciële kostgangersrelatie.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de Voorzieningenrechter gekeerd. Ontkend wordt dat een gezamenlijke huishouding is gevoerd met Van den [B.]. Er is sprake geweest van een kostgangersrelatie die zij correct heeft gemeld. De aan Van den [B.] verleende zorg houdt verband met diens invaliditeit. Verzocht is om het hoger beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de bijstand ten onrechte is beëindigd. Voorts is verzocht om vergoeding van proceskosten en schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van het toepasselijke recht

Met ingang van 1 januari 2004 is de WWB in werking getreden en is de Algemene bijstandswet (Abw) ingetrokken. De hoofdregel is dat op besluiten genomen vanaf 1 januari 2004 de WWB van toepassing is, tenzij in specifieke bepalingen van overgangsrecht anders is bepaald. In het onderhavige geval gaat de hoofdregel op.

Ten gronde

De Raad stelt vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of appellante ten tijde in geding, 19 januari 2005, een gezamenlijke huishouding voerde met Van den [B.].

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Hij verenigt zich geheel met het oordeel van de Voorzieningenrechter dienaangaande en maakt dat tot het zijne.

Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd komt neer op een herhaling van hetgeen in beroep bij de Voorzieningenrechter van de rechtbank naar voren is gebracht en brengt de Raad niet tot een ander oordeel.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Hierin ligt besloten dat het verzoek om het College te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van vergoeding van de wettelijke rente niet wordt toegewezen.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en R.M. van Male en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S. van Ommen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) S. Van Ommen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.