Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
04/1595 WAO, 04/1597 WAO, 04/1598 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering. is eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/1595 WAO, 04/1597 WAO, 04/1598 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant 1],

[appellant 2]

en [appellant 3], alle gevestigd te [vestigingsplaats]

(hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 februari 2004, 03/240, 03/241 en 03/242 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 22 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft J.J. Tabak, werkzaam bij Fiscount te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2006. Appellanten waren vertegenwoordigd door Tabak.

Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. E.B. Knollema.

II. Overwegingen

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellanten tegen het besluit van het Uwv van 17 december 2002, waarbij is gehandhaafd het besluit van 21 februari 2000 om aan J. van der [L.] met ingang van 4 februari 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te verstrekken naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Uwv de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten onrechte heeft bepaald op 5 februari 1998.

Per die datum heeft Van der [L.] – op dat moment nog in dienst bij De [K.] Koeltechniek B.V., hierna appellant [K.] – zich weliswaar ziek gemeld, maar Van der [L.] is, nadat hij bij besluit van 6 november 1998 per 1 december 1998 niet langer ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid werd geacht, per laatstgenoemde datum in dienst getreden [B.V.] te [vestigingsplaats]. Van der [L.] heeft hier feitelijk gewerkt tot 24 december 1998. Eerst in juli 1999 heeft Van der [L.] zich met terugwerkende kracht per 24 december 1998 ziek gemeld.

Appellanten achten het onjuist dat in zo een situatie de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt bepaald op 5 februari 1998.

Voorts hebben appellanten aangevoerd dat de opvatting van het Uwv dat Van der [L.] per 4 februari 1999 niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden onvoldoende is onderbouwd en dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten een arbeidskundig onderzoek te verrichten.

De Raad overweegt als volgt.

Vast staat dat Van der [L.] zich op 5 februari 1998 heeft ziek gemeld uit zijn betrekking bij appellant [K.]. Na deze ziekmelding heeft Van der [L.] feitelijk niet meer bij appellant [K.] gewerkt.

Deze werkgever heeft op 22 oktober 1998 het werkgeversformulier Algemene aanvraag WAO ingevuld. Op dit formulier heeft de werkgever als eerste arbeidsongeschiktheidsdag vermeld 5 februari 1998.

Het arbeidscontract met Van der [L.] is per 1 november 1998 niet verlengd.

In een rapportage van de verzekeringsarts J.V. Pietersen van 6 november 1998 is vermeld dat appellant bij een onderzoek op 6 november 1998 heeft medegedeeld dat hij zich stukken beter voelt en geen depressieve klachten meer heeft.

De verzekeringsarts is tot de opvatting gekomen dat Van der [L.] hersteld is en geschikt is zijn eigen werk te verrichten.

Bij besluit van 16 november 1998 is Van der [L.] een WAO-uitkering geweigerd, omdat hij op dat moment – sedert

5 februari 1998 - nog geen 52 weken arbeidsongeschikt was.

Per 1 december 1998 is Van der [L.] in dienst getreden [B.V.] Op 24 december 1998 heeft

Van der [L.] zijn werkzaamheden gestaakt.

Bij brief van 27 juli 1999 heeft Van der [L.] zich met terugwerkende kracht per 24 december 1998 ziek gemeld.

Deze melding heeft geleid tot een onderzoek door een verzekeringsarts. In de aantekeningen van dit onderzoek is vermeld dat Van der [L.] reeds sinds 7 jaar een probleem met alcohol heeft. Per dag drinkt hij – ook tijdens het werk – een liter wodka. Van der [L.] geeft tijdens dit onderzoek aan geen klachten te hebben, maar die dag al wel een halve liter wodka te hebben gedronken. Voorts is in dit verslag vermeld dat Van der [L.] sinds hij gestopt is met werken bij [B.V.] een zwervend bestaan heeft geleid en nog leidt.

De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat een WAO-beoordeling dient te volgen en dat naar zijn mening er sedert 5 februari 1998 sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid.

De verzekeringsarts heeft ook nog gewezen op de overige bestaande privé-problematiek die tot spanningen heeft geleid.

Van der [L.] is op 11 februari 2000 gezien door de verzekeringsarts P.J. Bakker. Ook deze verzekeringsarts komt tot het oordeel dat Van der [L.] reeds langdurig problemen heeft met alcohol en de daarbij behorende verschijnselen. Afgaande op die rapportage moet appellant [K.] op de hoogte van het alcoholprobleem zijn geweest. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat Van der [L.] reeds sedert 13 augustus 1990 bij [K.] in dienst was, aanvankelijk voor onbepaalde tijd, maar – volgens Van der [L.] – vanaf medio februari 1995 telkens op contract voor bepaalde tijd vanwege het bij [K.] bekende alcoholprobleem.

Naar de opvatting van de verzekeringsarts is de gezondheidstoestand van Van der [L.] op dat moment zodanig slecht dat sprake is van onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren. Daarbij komt dat Van der [L.] op korte termijn langdurig zal worden opgenomen in een AWBZ-erkende instelling voor detoxificatie.

De verzekeringsarts is van opvatting dat Van der [L.] geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft.

Bij besluit van 21 februari 2000 is aan Van der [L.] per 4 februari 1999 de WAO-uitkering verstrekt.

Van der [L.] is op 5 september 2000 overleden.

De bezwaarverzekeringsarts O.J. van Kempen heeft naar aanleiding van het door appellanten ingediende bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2000 op 10 december 2002 gerapporteerd. In dit rapport heeft deze bezwaarverzekeringsarts de voorgeschiedenis nogmaals in kaart gebracht en is ook zij tot de opvatting gekomen dat Van der [L.] sedert 5 februari 1998 doorlopend ongeschikt is geweest tot het verrichten van arbeid.

Bij besluit van 17 december 2002 heeft het Uwv appellanten, hoewel het bezwaar niet was ingediend binnen zes weken na het slechts aan Van der [L.] gezonden besluit van 21 februari 2000, gelet onder andere op de jurisprudentie van de Raad zoals neergelegd in de uitspraken van 25 mei 2004, LJN: AP1958, en van 10 oktober 2006, LJN: AZ0126, terecht in hun bezwaren ontvangen.

In het licht van het vorenstaande kan de Raad het standpunt van appellanten dat het Uwv ten onrechte 5 februari 1998 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft aangewezen – en dit in ieder geval onvoldoende heeft onderbouwd – niet volgen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is kunnen blijken dat de onderzoeken verricht door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts gebrekkig zijn of tot onjuiste conclusies hebben geleid. De door beide artsen uitgebrachte rapportages zijn concludent, zowel ten aanzien van het antwoord op de vraag welke dag als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt, als ten aanzien van de afwezigheid per 4 februari 1999 van duurzaam benutbare mogelijkheden. Uit de rapportages is voorts af te leiden dat Van der [L.], zo hij al in staat is geweest voor [B.V.] B.V. werkzaamheden te verrichten, in elk geval binnen vier weken na 1 december 1998 daartoe niet langer in staat was, zodat op grond van artikel 19 van de WAO sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid. Op inzichtelijke wijze is aangegeven hoe beide artsen tot hun opvatting zijn gekomen. De door deze artsen getrokken conclusies vinden hun grondslag in de door hen gebezigde overwegingen.

Het Uwv heeft zijn besluit Van der [L.] per 4 februari 1999 volledig arbeidsongeschikt te achten mitsdien op deze rapportages kunnen baseren.

In beroep en in hoger beroep hebben appellanten geen stukken overgelegd die tot een ander oordeel aanleiding geven.

In een situatie dat sprake is van niet duurzaam benutbare mogelijkheden behoeft op grond van het bepaalde in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten geen arbeidskundig onderzoek te worden verricht.

Hetgeen door appellanten in hoger beroep naar voren is gebracht faalt mitsdien, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.