Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
05-01-2007
Zaaknummer
06-1668 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op WW-uitkering. Onvoldoende sollicitatie-activiteit?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1668 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 februari 2006, 05/413 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 oktober 2006 is namens appellant een reactie op het verweerschrift ingediend.

De behandeling van het geding is aan de orde gesteld ter zitting van 1 november 2006. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant, geboren op 13 juni 1954, is op 16 februari 2004 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 16 juli 2004 in de functie van meewerkend voorman timmerman I in dienst getreden bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Deze overeenkomst is verlengd tot en met 12 november 2004. De werkgever heeft appellant op 25 oktober 2004 geïnformeerd dat het contract in verband met onvoldoende werk niet werd verlengd. Appellant heeft met ingang van 15 november 2004 een WW-uitkering aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellant aangegeven dat hij niet heeft gesolliciteerd omdat de werkgever nog werk had. Tevens heeft appellant aan het Uwv aangegeven dat hij zich niet heeft ingeschreven bij uitzendbureaus omdat hij eerst vast werk probeerde te vinden.

2.2. Bij besluit van 22 november 2004 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat er een onderzoek is ingesteld naar zijn sollicitatieactiviteiten en dat uit de verkregen gegevens is gebleken dat hij geen enkele sollicitatieactiviteit heeft ondernomen sinds de dag dat hij wist dat zijn contract voor bepaalde tijd niet verlengd zou worden na 12 november 2004. Appellant wordt geacht werkloos te zijn en te blijven doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Hierdoor bedraagt de uitkering vanaf 15 november 2004 gedurende 16 weken 50% in plaats van 70% van het dagloon.

Het bezwaar van appellant tegen het opleggen van de maatregel is bij het thans bestreden besluit van 23 februari 2005 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Aan de orde is de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant in de door het Uwv beoordeelde periode in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

4.2. In het door het Uwv in de bijlage van het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW neergelegde beleid ter zake van de uit de WW voortvloeiende plicht van werknemers om sollicitatieactiviteiten te ondernemen is onder het kopje “Sollicitatieplicht werknemers voorafgaande aan recht op uitkering” bij het tweede gedachtenstreepje gesteld: “Van de werknemer wiens (tijdelijke) dienstverband op een andere wijze dan door opzegging eindigt wordt verlangd dat hij sollicitatie-activiteiten ontwikkelt vanaf het moment dat het hem redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat de dienstbetrekking eindigt. Zoals eerder overwogen acht de Raad dit onderdeel van het beleid van het Uwv niet in strijd met een juiste uitleg van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, ingevolge welke bepaling de werknemer dient te voorkomen dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. De Raad acht, gezien de in het onderhavige geval voorliggende gegevens, een voldoende objectiveer-baar aanknopingspunt gelegen voor het oordeel dat het appellant vanaf 25 oktober 2004 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de dienstbetrekking per 12 november 2004 eindigde. Op grond van de gedingstukken, waaronder het WW-aanvraagformulier, stelt de Raad vast dat appellant na die datum tot 17 november 2004 geen sollicitaties heeft verricht noch stond ingeschreven bij een detacheringbureau. Aan de door appellant overgelegde opgaven van verrichte sollicitaties gaat de Raad voorbij, omdat die dateren van na de periode dan die welke in geding is.

4.3. In lijn met zijn uitspraken van 25 januari 2006, LJN AV1632 en LJN AV1635, is de Raad van oordeel dat bij de beantwoording van de vraag of appellant werkloos is geworden doordat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, mag worden uitgegaan van de vooronderstelling dat het verrichten van voldoende sollicitatieactiviteiten in beginsel de kans doet toenemen dat arbeid wordt verkregen en dat daarmee het werkloosheidsrisico wordt verkleind. De Raad is van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens geen steun bieden voor het oordeel dat appellant in een zo uitzonderlijke situatie verkeert dat genoemd uitgangspunt voor hem niet zou gelden. De door appellant genoemde persoonlijke omstandigheden in zijn relatie tot de arbeidsmarkt -leeftijd, wonende in Noord-Nederland en een teruglopend werkaanbod in zijn beroep- acht de Raad niet zodanig uitzonderlijk dat niet van de juistheid van de hiervoor aangegeven vooronderstelling kan worden uitgegaan.

4.4. Vervolgens is de vraag aan de orde of het Uwv aannemelijk dient te maken dat voor appellant, die heeft gesteld dat er op zijn vakgebied geen vacatures waren, wel passende arbeid voorhanden was, bijvoorbeeld door aan te tonen dat er wel vacatures voorhanden waren, dan wel dat appellant anderszins aan de hem opgelegde verplichting om sollicitatieactiviteiten te verrichten had kunnen voldoen. Onder verwijzing naar zijn eerder vermelde uitspraken is de Raad van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan de voor hem geldende sollicitatieverplichting heeft kunnen voldoen om de reden dat er voor hem geen passende arbeid voorhanden was. De Raad kent in dit verband betekenis toe aan de omstandigheid dat ook in de winterperiode werk voorhanden is in de bouw, zij het in mindere mate dan in de andere periode van het jaar. De stelling dat tegen de winter het werk in de bouwnijverheid fors vermindert en er veel werknemers worden ontslagen acht de Raad onvoldoende om aan te nemen dat er voor appellant geen mogelijkheid bestond om in die periode te voldoen aan de op hem rustende verplichting. Anders dan namens appellant is betoogd, rustte er derhalve op het Uwv geen verplichting om nader onderzoek te doen naar de zich ten tijde van belang voordoende vacatures in voor appellant passende arbeid.

5. De Raad is derhalve van oordeel dat appellant terecht wordt verweten de op hem rustende verplichting, neergelegd in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW, niet te zijn nagekomen. In hetgeen appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om anders te oordelen. De Raad heeft in de omstandigheden van het geval geen reden gezien om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

6. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.