Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5425

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
05-6340 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering. Verslechtering positie? Andere dienstbetrekking of aanpassing bestaand dienstverband in verband met arbeidsongeschiktheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6340 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 september 2005, 05/1103 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Hoogendonk, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.

2.2. Appellant is op 11 mei 1995 uitgevallen uit zijn werk als meewerkend voorman/schilder bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Met ingang van 9 mei 1996 heeft het Uwv hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100%. Met ingang van diezelfde dag is appellant aangepaste werkzaamheden gaan verrichten bij zijn werkgever, waarvan de loonwaarde in overleg met een register-arbeidsdeskundige van het Uwv is bepaald op f 190,-- bruto per week.

2.3. Op 18 april 2002 is appellant uitgevallen uit deze aangepaste werkzaamheden. Sindsdien heeft appellant geen werkzaamheden meer verricht voor de werkgever. Op verzoek van appellant heeft de kantonrechter bij beschikking van 8 juni 2004 de arbeidsovereenkomst tussen appellant en de werkgever ontbonden met ingang van 11 juni 2004, zonder toekenning van een vergoeding aan appellant.

2.4. Appellant heeft op 5 juli 2004 een aanvraag om een uitkering ingevolge de WW met ingang van 11 juni 2004 ingediend. Na deze te hebben toegekend met ingang van 1 oktober 2004 heeft het Uwv, beslissend op de bezwaren van appellant tegen de ingangsdatum van de uitkering en tegen de berekening van het dagloon, bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) appellant het recht op een WW-uitkering met ingang van 11 juni 2004 ontzegd op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW en de toegekende uitkering met ingang van de dag na verzending van het bestreden besluit ingetrokken. In het bestreden besluit heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat artikel 19, vierde lid, van de WW in dit geval toepassing mist, omdat de dienstbetrekking waaruit appellant werkloos is geworden niet kan worden gezien als een andere dienstbetrekking dan die waaruit hij een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% ontvangt.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Na te hebben vastgesteld dat het geding tussen partijen zich in de eerste plaats toespitst op de vraag of het Uwv het voorschrift heeft nageleefd dat het bezwaar er niet toe mag leiden dat het bestuursorgaan de heroverweging gebruikt om een verslechtering van de positie van de bezwaarmaker te bereiken die zonder de bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn en dat voorts de vraag moet worden beantwoord of het Uwv op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat op appellants situatie niet de uitzondering van artikel 19, vierde lid, van de WW van toepassing is, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Met betrekking tot de eerste vraag stelt de rechtbank voorop dat de systematiek en uitgangspunten van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van het beslissen op bezwaar meebrengen dat een aangevochten besluit in volle omvang wordt heroverwogen. Als gevolg daarvan kan blijken dat aan het besluit een andere motivering ten grondslag dient te worden gelegd. Zolang dat niet leidt tot een verslechtering van de positie van de indiener van het bezwaar is dat toelaatbaar.

(…)

Bij primair besluit II is aan eiser met ingang van 1 oktober 2004 een WW-uitkering toegekend. Bij het thans bestreden besluit is vastgesteld dat eiser met ingang van 11 juni 2004 geen recht op WW-uitkering heeft en is deze uitkering ingetrokken met ingang van de dag na de verzending van dat besluit.

Voorts is ter zitting door verweerder uitdrukkelijk verklaard dat eiser de bedragen die hem tot de dag van verzending van het bestreden besluit zijn uitgekeerd, mocht behouden.

Uit het bovenstaande concludeert de rechtbank dat van een verslechtering van de positie zoals hierboven aangegeven geen sprake is.

Met betrekking tot de tweede vraag overweegt de rechtbank dat uit de gedingstukken blijkt dat eiser na het ontstaan van zijn arbeidsongeschiktheid voor zijn werkgever aangepaste werkzaamheden tegen een “sociaal loon” is gaan verrichten. Meer in het bijzonder verwijst de rechtbank naar de brief van 15 februari 1996 van de register-arbeidsdeskundige Meijer aan de werkgever, waarin bevestigd wordt dat overeengekomen is dat de werkgever eiser “in dienst houdt”. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser dan niet kan worden gesproken van een “andere dienstbetrekking” als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de WW doch veeleer van een gewijzigde invulling van een (voort)gezette dienstbetrekking.”

4. Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank op beide hierboven weergegeven onderdelen aangevochten. Appellant heeft zijn bij de rechtbank aangevoerde stellingen herhaald dat het Uwv niet het recht had ten nadele van hem terug te komen op de beslissing tot toekenning van een WW-uitkering en dat de aangepaste werkzaamheden zo verschilden van zijn eigen werk, dat sprake is van een andere dienstbetrekking in de zin van artikel 19, vierde lid, van de WW.

5. De Raad, oordelend of de aangevallen uitspraak in stand moet blijven, overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, voor zover hier van belang, heeft geen recht op uitkering de werknemer die een uitkering ontvangt op grond van de WAO, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%.

In artikel 19, vierde lid, van de WW is bepaald dat het eerste lid buiten toepassing blijft ten aanzien van de werknemer die uitsluitend uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden in een omstandigheid verkeert als bedoeld in het eerste lid.

5.2. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel over het bestreden besluit. Ook de Raad ziet niet dat het Uwv het verbod om een verslechtering van de positie van appellant te bereiken die zonder de bezwaarprocedure niet mogelijk zou zijn, heeft geschonden. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank over dit geschilpunt.

Ook wat betreft de vraag of de dienstbetrekking waaruit appellant werkloos is geworden een andere is dan die uit hoofde waarvan hij een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% ontvangt onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naast de door de rechtbank genoemde verklaring van de werkgever acht de Raad van belang dat de aanpassing van appellants werkzaamheden geschiedde in het kader van diens reïntegratie na een ziekteperiode van een jaar en dat de arbeidsvoorwaarden voor het overige ongewijzigd waren.

6. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.