Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5423

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
04-01-2007
Zaaknummer
04-6440 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling WAO-uitkering. Het medisch en arbeidskundig onderzoek geven een adequate en toereikende grondslag voor de schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6440 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 oktober 2004, 04/689 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Daarna heeft het Uwv nog een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 april 2003 heeft het Uwv, na een herbeoordeling, beslist om de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverkering (WAO) verleende uitkering, die laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, vanaf 9 juni 2003 te berekenen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Na daartegen door appellante gemaakt bezwaar heeft het Uwv die beslissing bij het bestreden besluit van 4 maart 2004 gedeeltelijk herroepen in die zin dat de ingangsdatum van de verlaging van de uitkering is gewijzigd in 24 februari 2004.

De rechtbank heeft het daartegen door appellante ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich ten eerste op het standpunt gesteld dat haar belastbaarheid door het Uwv is overschat. Zij heeft erop gewezen dat zij vanaf april 1992 op grond van het in 1991 uitgevoerde onderzoek door de psychiater

R.G. van 't Hof steeds voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt is beschouwd en dat haar gezondheidstoestand sindsdien niet is verbeterd. Zij heeft in verband daarmee aangevoerd dat de uitkomst van het in oktober 2002 in opdracht van het Uwv uitgevoerde onderzoek door de psychologe N.M. Lijftogt geen reden vormt om haar belastbaarheid bij te stellen, aangezien deze psychologe geen medicus is en deze psychologe bovendien onzorgvuldig te werk is gegaan door ten onrechte in haar rapport te vermelden dat appellante haar had meegedeeld dat zij drie à vier uur per dag zou kunnen werken.

Ten tweede heeft appellante zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de bij het bestreden besluit in aanmerking genomen functies een actualisatiedatum hebben die te ver verwijderd is van de nieuw gehanteerde ingangsdatum van

24 februari 2004.

De Raad overweegt het volgende.

Appellante is in september 2002 gezien door de verzekeringsarts A.W.H. van der Gaag. Appellante stelt dan onverminderd hoofd- en nekpijn, uitstralend naar haar armen, te hebben. Ze ziet af en toe slecht, haar concentratie is verminderd en ze voelt zich vaak uitgeput. Ze gebruikt homeopatische medicatie en krijgt acupunctuur. Deze klachten waren door Van der Gaag echter niet te verklaren op grond van zijn onderzoek. In verband met de klachten van concentratie en verminderde duurbelasting heeft hij verder onderzoek nodig geacht. Omtrent de aard en de ernst van deze klachten heeft hij informatie ingewonnen bij de psychologe N.M. Lijftogt, die een psychologisch adviesbureau in Hoorn voert. Deze heeft appellante onderzocht en gerapporteerd dat er geen relevante karakterologische afwijkingen of psychopathologische stoornissen naar voren zijn gekomen, maar dat op grond van een angst- en stressgevoeligheid bij appellante wel functionele beperkingen aanwezig zijn met betrekking tot het werken onder (tijds)druk, conflicterende omstandigheden en verantwoordelijkheid.

Haar onderzoek heeft geen duidelijke indicatie voor een urenbeperking opgeleverd.

Van der Gaag heeft vervolgens zijn rapport afgerond en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Hierin is aangegeven dat appellante in staat is om arbeid te verrichten, rekening houdend met de klachten van haar rechterarm en nek, alsmede met de beperkingen zoals door Lijftogt aangegeven. In de bezwaarprocedure is vervolgens door de bezwaarverzekeringsarts mevrouw A.A.M. Moons geen aanleiding gevonden om de medische beoordeling door Van der Gaag onzorgvuldig te achten vanwege de omstandigheid dat deze mede is gebaseerd op de bevindingen van een psycholoog, waarbij zij heeft aangegeven dat de deskundigheid van de psycholoog wat betreft het beoordelen van arbeidsmogelijkheden in relatie tot (ontbreken van) psychopathologie vergelijkbaar is met die van een psychiater. In dit geval heeft deze deskundigheid volgens haar zelfs meerwaarde ten opzichte van het psychiatrische onderzoek dat in 1991 ten grondslag is gelegd aan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, aangezien dit uitsluitend bestond uit een anamnese en eigen observatie, terwijl het onderhavige psychologische onderzoek tevens heeft bestaan uit psychometrisch onderzoek, hetgeen het objectieve karakter daarvan heeft verhoogd. Moons kan zich voorts vinden in de door Van der Gaag vastgestelde beperkingen.

De Raad heeft geen reden om te twijfelen aan de opvattingen van de bezwaarverzekeringsarts Moons. Daarbij acht de Raad van belang dat het psychologisch onderzoek zich heeft beperkt tot het vakgebied van de psycholoog. Voorts is de belastbaarheid van appellante weliswaar met gebruikmaking van de uitkomst van dit onderzoek, doch door Van der Gaag zelf in zijn hoedanigheid van verzekeringsarts vastgesteld. Tevens neemt de Raad daarbij in aanmerking dat appellante geen medische inlichtingen heeft verstrekt, en dat ook anderszins niet is gebleken van feiten of omstandigheden, die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid per 24 februari 2004. De omstandigheid dat appellante nog een correctie in het psychologisch rapport wenste met betrekking tot een opmerking die niet door haar zou zijn gemaakt, welke correctie vervolgens is aangebracht, kan niet als zodanig worden beschouwd. Dit betekent dat de medische grondslag van het bestreden besluit standhoudt.

De Raad ziet evenmin reden om de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. In de loop van de bezwaarprocedure zijn twee van de vijf aan het primaire besluit van 11 april 2003 ten grondslag gelegde functies, namelijk die van administratief medewerkster en verkooptelefonist, door het Uwv alsnog ongeschikt bevonden. De laatstgenoemde functie behoefde niet vervangen te worden, aangezien deze in combinatie met de functie van vertegenwoordiger in aanmerking was genomen en deze functie ook zelfstandig kon worden gehanteerd. In plaats van de functie van administratief medewerkster is de functie van informatiebeheer-medewerker (-c en -b) in aanmerking genomen. Voor de mate van arbeidsongeschiktheid maakte dat geen verschil. Aangezien een en ander nog wel aan appellante moesten worden medegedeeld, is de in het primaire besluit genoemde ingangsdatum opgeschoven. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat de uiteindelijk in aanmerking genomen functies hierdoor onvoldoende actueel zijn geworden, verwijst de Raad naar zijn vaste jurisprudentie daarover (zoals onder meer gepubliceerd in USZ 2004, 105, LJN AO5188). Deze houdt in dat in beginsel een periode van ongeveer anderhalf jaar sinds de laatste actualisering van de functie aanvaardbaar is. Hiervan uitgaande, zijn in het onderhavige geval vier van de vijf functies, teruggerekend vanaf 24 februari 2004, voldoende actueel. Alleen voor de functie van schadecorrespondent zorgverzekeraar gaat dat niet op. Voor deze functie was op 24 februari 2004 echter wel een actuelere versie aanwezig met een hoger maandloon. Nu het hierbij behoudens het loonbedrag inhoudelijk om dezelfde functie gaat, kan worden geconcludeerd dat de functie van schadecorrespondent zorgverzekeraar in overeenkomstige vorm op de arbeidsmarkt aanwezig was op 24 februari 2004. De hogere loonwaarde van de geactualiseerde functie heeft in dat geval geen gevolgen voor de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse. De Raad ziet daarom geen reden tot twijfel aan de realiteitswaarde van de in de bezwaarprocedure gewijzigde arbeidskundige grondslag.

Nu er evenmin aanleiding is om te veronderstellen dat de vijf uiteindelijk in aanmerking genomen functies voor appellante, gezien de vastgestelde belastbaarheid, ongeschikt zijn, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L.H. Vogt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) L.H. Vogt.